ECLI:NL:RBGRO:2010:BW8754

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
18 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
413363 CV EXPL 09-10415
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:37 lid 3 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering verjaard wegens niet-ontvangen aanmaningsbrief door adreswijziging

De zaak betreft een verzet tegen een dwangbevel uitgevaardigd door de Informatie Beheer Groep (IBG) tegen eiser [A]. De kern van het geschil is of de aanmaningsbrief van 11 maart 2008 de eiser heeft bereikt, wat van belang is voor de verjaring van de vordering.

De IBG stelde dat de brief retour is ontvangen met een notitie dat het adres van eiser niet meer klopt en dat hij per 29 februari 2008 op een nieuw adres was gevestigd. Eiser betwistte deze datum en gaf aan dat hij pas op 10 april 2008 verhuisd is, de datum waarop het nieuwe adres in de gemeentelijke basisadministratie is geregistreerd.

De kantonrechter oordeelde dat de notitie op de aanmaningsbrief geen relevante bewijskracht heeft, mede omdat onduidelijk is van wie deze afkomstig is en omdat eiser gemotiveerd betwist dat hij eerder dan 10 april 2008 verhuisd is. Zonder andere ondersteunende feiten is de IBG niet in haar bewijsopdracht geslaagd, waardoor de vordering verjaard is en het verzet gegrond wordt verklaard.

De rechtbank stelde het dwangbevel buiten werking en veroordeelde de IBG in de proceskosten, vastgesteld op € 570,44, waarvan een deel aan de griffier en een deel aan eiser moet worden betaald.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het dwangbevel wordt buiten werking gesteld wegens verjaring van de vordering.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector kanton
Locatie Groningen
Zaak\rolnummer: 413363 CV EXPL 09-10415
Vonnis d.d. 18 augustus 2010
inzake
[A],
wonende te [woonplaats],
eiser, hierna [A] te noemen,
gemachtigde mr. A.A. Bos, advocaat te Zwolle,
tegen
de Informatie Beheer Groep,
gevestigd te Groningen,
gedaagde, hierna de IBG te noemen,
gemachtigde H.A. Bos, gerechtsdeurwaarder te Groningen.
PROCESGANG
De IBG heeft naar aanleiding van het tussenvonnis van 28 april 2010 een akte genomen, waar [A] - eveneens bij akte - op heeft gereageerd.
Vervolgens is bepaald dat opnieuw vonnis zal worden gewezen. De uitspraak daarvan is (nader) bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
De verdere beoordeling
1. De inhoud van het vonnis van 28 april 2010 moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd en de daarvan deel uitmakende overwegingen worden gehandhaafd.
2. Bij dat tussenvonnis is de IBG toegelaten tot het bewijs dat de aanmaningsbrief van 11 maart 2008 [A] heeft bereikt of dat het niet-bereiken daarvan een gevolg is van een voor rekening van [A] komende omstandigheid als bedoeld in artikel 3:37 lid 3 BW Pro.
3. De IBG heeft vervolgens een kopie van de verzonden aanmaningsbrief overgelegd, waarop met de pen is genoteerd dat het adres van [A] niet meer klopt en dat zijn nieuwe adres per 29 februari 2008 [adres] te [plaatsnaam] is. Zij stelt dat zij deze brief op 17 maart 2008 retour heeft ontvangen. Omdat [A] zijn nieuwe adres (pas) op 10 april 2008 aan de gemeente van zijn nieuwe woonplaats heeft doorgegeven komt de niet-ontvangst van de aanmaningsbrief naar de mening van de IBG voor rekening en risico van [A], zodat deze brief stuitende werking heeft.
4. [A] betwist dat hij (al) op 29 februari 2008 naar [plaatsnaam] is verhuisd. Volgens hem heeft de verhuizing plaatsgevonden op de dag waarop zijn nieuwe adres in de GBA is ingeschreven (10 april 2008).
5. De kantonrechter oordeelt als volgt.
5.1. Aan de notitie op de aanmaningsbrief van 11 maart 2008 over de adreswijziging kan geen (relevante) bewijskracht worden toegekend. Niet alleen is niet duidelijk van wie deze notitie afkomstig is, bovendien heeft [A] gemotiveerd betwist dat hij eerder dan 10 april 2008 naar [plaatsnaam] is verhuisd. Omdat er geen andere feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die bedoelde stelling van de IBG ondersteunen, is de IBG dan ook niet in haar bewijsopdracht geslaagd.
5.2. Een en ander betekent dat de vordering van de IBG is verjaard. Het verzet zal daarom gegrond worden verklaard.
5.3. De IBG zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.
BESLISSING
De kantonrechter:
verklaart het verzet gegrond en stelt het op 14 juli 2008 tegen [A] uitgevaardigde dwangbevel met titelnummer 1009017 buiten werking;
veroordeelt de IBG tevens in de kosten van het geding, aan de zijde van [A] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 570,44, waarvan te voldoen aan de griffier van dit gerecht € 542,94 (zijnde € 85,44 aan dagvaardingskosten, € 82,50 aan in debet gesteld griffierecht en € 375,00 aan salaris van de gemachtigde) en te voldoen aan [A] € 27,50 aan niet in debet gesteld griffierecht;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J.J. Smits, kantonrechter, en op 18 augustus 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.