RECHTBANK GRONINGEN
Sector Civielrecht
zaaknr.: 124708 / JE RK 11-119
beschikking kinderrechter d.d. 7 april 2011
de minderjarige A.,
kind van B. en C.
De ouders zijn belast met het gezag over voornoemde minderjarige.
Op 24 februari 2011 heeft het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering, namens het bureau jeugdzorg, een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing ingediend, gedateerd 23 februari 2011.
Daarbij is overgelegd het hulpverleningsplan en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, alsmede een indicatiebesluit.
Op 28 maart 2011 is ter griffie een brief, met bijlage, van mr. M. Wierts ontvangen.
Op 29 maart 2011 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.
Ter zitting zijn verschenen de ouders, bijgestaan door mr. Wierts, en B.A. Roelfsema en
R. Kuiper namens het LJ&R.
Ter zitting heeft mr. Wierts pleitaantekeningen overgelegd.
De ouders hebben ter zitting een verweerschrift, met bijlagen, overgelegd.
Bij beschikking d.d. 26 april 2010 is de ondertoezichtstelling uitgesproken voor de tijd van 1 jaar, ingaande 26 april 2010.
Bij beschikking van de rechtbank Groningen van 24 september 2010 is met betrekking tot [A.] een (spoed)machtiging uithuisplaatsing afgegeven voor de duur van drie weken. Deze beschikking is bij beschikking van 6 oktober 2010 bekrachtigd en verleend voor de totale periode van drie maanden, derhalve tot 24 december 2010.
Bij beschikking van 21 december 2010 is de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [A.] verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Standpunt LJ&R, samengevat en zakelijk weergegeven
De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing hebben niet geleid tot een vermindering van de zorgen zoals verwoord in het raadsrapport. In tegendeel: de weigerachtige houding van de ouders, het voortdurend ageren tegen en traineren van de procedures en onderzoeken, bevestigen de zorgen van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). De ouders geven nog steeds geen duidelijkheid over hun leefomstandigheden. De contacten met de ouders kenmerken zich tot nu toe door eisen en verzoeken van de ouders die op dit moment niet ingewilligd kunnen worden. De contacten zijn weinig constructief en leiden niet tot een goede samenwerking in het belang van [A.]. Hierdoor was het LJ&R ook genoodzaakt een verzoek tot verlening van vervangende toestemming voor de noodzakelijke medische behandeling van [A.] in te dienen. Inmiddels heeft er een eerste omgangscontact tussen [A.] en haar ouders plaatsgehad. Er dienen nog twee geobserveerde contacten plaats te vinden. Naar aanleiding van het door de orthopedagoog opgemaakte verslag zal worden geoordeeld of en zo ja wanneer [A.] weer thuis geplaatst kan worden.
Standpunt ouders, samengevat en zakelijk weergegeven
De ouders stellen dat een verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet noodzakelijk is. Inmiddels is [A.] geruime tijd uit huis geplaatst en er zijn bij haar geen noemenswaardige problemen vastgesteld die duiden op onvoldoende ontwikkeling, mishandeling, psychische problemen of iets dergelijks. [A.] wordt niet in haar zedelijke of geestelijke belangen bedreigd.
De zorgen die er waren, kunnen niet bevestigd worden zodat verdere inmenging in hun gezinsleven niet gerechtvaardigd is. Daarbij komt dat een ondertoezichtstelling pas aan de orde dient te komen als [A.] niet op een minder ingrijpende wijze beschermd kan worden. Daarvan is geen sprake.
Ze hebben steeds proberen uit te leggen hoe hun leefsituatie is. Zij wonen in D. en [A.] zal daar worden aangemeld voor de basisschool. Verblijf op een school is een waarborg voor het hebben van sociale contacten. De ouders zijn op zoek naar werk maar hebben ruim voldoende tijd voor [A.].
Vanaf februari zijn er bezoekmomenten met A. tot stand gekomen die, hoewel de eerste keer wat onwennig, steeds goed verlopen.
Uit het verzoekschrift de daarbij overgelegde producties, het ambtshalve door de kinderrechter opgevraagde raadsrapport en de toelichting van betrokkenen ter zitting blijkt dat de ouders zich gedurende langere periode afgezonderd hebben van de maatschappij. Deze leefwijze van de ouders en de zorgen die hierdoor bij meerdere personen en instanties zijn ontstaan, hebben uiteindelijk geresulteerd in een ondertoezichtstelling van [A.] en vervolgens een (spoed) uithuisplaatsing.
[A.] verblijft thans in een voorziening voor pleegzorg Lindenhout. In de door het LJ&R overgelegde evaluatie van het hulpverleningsplan opgesteld door Lindenhout wordt weergegeven dat de gestelde doelen grotendeels zijn behaald. De cognitieve- en taalontwikkeling van [A.] is leeftijdsadequaat en haar fijne motoriek is goed ontwikkeld. Bij de grove motoriek valt de wat houterige en vaak voorzichtige manier van bewegen op. Er worden wel zorgen gemeld over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [A.] en daarnaast zorgen wat betreft haar hechting. Met het werken aan de doelen met betrekking tot de ouders moet nog worden gestart, omdat er nog geen contact met hen is geweest, maar Lindenhout heeft hiertoe wel de mogelijkheid.
De contacten tussen het LJ&R en de ouders zijn inmiddels tot stand gekomen. Hoewel er aanvankelijk alleen contact was met de vader, is ook de moeder met het LJ&R in gesprek gegaan. Uit het verweerschrift en de daarbij overgelegde producties blijkt dat de ouders de nodige inspanningen hebben verricht om afspraken met het LJ&R te maken. Niet alle afspraken zijn even soepel tot stand gekomen en niet alle afspraken zijn volledig nagekomen. Het is de kinderrechter echter niet gebleken dat dit in overwegende mate aan de ouders is te wijten.
In de afgelopen periode is veel bereikt. De gestelde doelen zijn echter nog niet volledig behaald. Zo is het onderzoek van de orthopedagoog nog niet helemaal afgerond. Er is dus nog geen antwoord op de vraag of er voor [A.] en de ouders (aanvullende) hulpverlening ingezet moet gaan worden. Het is in het belang van [A.] dat deze duidelijkheid zo snel mogelijk wordt verkregen.
De kinderrechter is van oordeel dat de termijn van de ondertoezichtstelling met zes maanden dient te worden verlengd, nu de gronden van de ondertoezichtstelling deels nog aanwezig zijn.
Met betrekking tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing oordeelt de kinderrechter als volgt. Uithuisplaatsing is een uiterst middel in de zin dat hiertoe alleen dient te worden overgegaan als andere middelen om de ernstig bedreigde ontwikkeling te keren niet voldoende zijn. Met andere woorden, er moet van een ernstig bedreigde ontwikkeling sprake zijn. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is daarvan geen sprake.
De rechtbank zal de uithuisplaatsing van [A.] echter wel voor een beperkte periode verlengen, namelijk tot 1 juni 2011. Deze tussenliggende periode kan gebruikt worden om de thuisplaatsing van [A.] goed voor te bereiden en gefaseerd te laten plaatsvinden.
De ouders hebben ook aangegeven dit in het belang van [A.] te vinden, aangezien volgens de moeder, [A.] goed overweg kan met de pleegmoeder.
Hierbij wordt van belang geacht dat [A.] binnenkort vier jaar wordt en dan naar school gaat. Het is voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van [A.] van belang dat zij in haar woonplaats de basisschool zal kunnen volgen.
verlengt de termijn van de ondertoezichtstelling ten aanzien van de minderjarige [A.] met zes maanden, ingaande 26 april 2011, met behoud van de opdracht van de ondertoezichtstelling aan het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering te Groningen, p/a Laan Corpus den Hoorn 106, namens het bureau jeugdzorg;
verlengt voorts de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 26 april 2011 tot 1 juni 2011;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. D.A. Flinterman, kinderrechter, en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2011 in aanwezigheid van mr. M.M. Verbeek, griffier.