Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ9138

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
21 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
124778-FA RK 11-425
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:413 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verklaring van rechtsvermoeden van overlijden na langdurige vermissing

De rechtbank Groningen heeft op 21 juni 2011 uitspraak gedaan in een zaak betreffende het verzoek tot verklaring van rechtsvermoeden van overlijden van een persoon die sinds circa 8 februari 1998 vermist is. De vermiste, geboren in 1963, is voor het laatst gezien nabij haar woning in Groningen en sindsdien is er geen teken van leven meer ontvangen.

Verzoekster heeft de vermiste meerdere malen laten oproepen via publicaties in de Telegraaf en de Nederlandse Staatscourant, maar de vermiste is niet verschenen en er is geen bewijs geleverd dat zij nog in leven is. De rechtbank acht de oproepingen voldoende en ziet geen reden om deze te herhalen of aanvullende bewijsstukken te verlangen.

Gelet op het ontbreken van aanwijzingen dat de vermiste nog leeft en het verstrijken van ruim dertien jaar sinds het laatste contact, verklaart de rechtbank het rechtsvermoeden van overlijden met ingang van 8 februari 1998. Tevens worden de kosten van de procedure ten laste van het vermogen van de vermiste gebracht. Deze verklaring biedt verzoekster zekerheid omtrent het overlijden van haar dochter en maakt uitkering van een levensverzekering mogelijk.

Uitkomst: Rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste wordt verklaard met ingang van 8 februari 1998.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector civielrecht
Meervoudige familiekamer
Zaaknummer 124778/FA RK 11-425
Beschikking d.d. 21 juni 2011
in de zaak van:
v e r z o e k s t e r,
advocaat mr. M.R.P. Ossentjuk,
en
b e l a n g h e b b e n d e,
verder te noemen de vermiste,
niet in rechte verschenen.
PROCESVERLOOP
De rechtbank heeft op 8 maart 2011 een tussenbeschikking gegeven.
Daarbij is verzoekster bevolen om de vermiste via “de Nederlandse Staatscourant” en
“de Telegraaf” op te roepen voor de zitting van 7 juni 2011 om 09.00 uur, om van haar in leven zijn te doen blijken. Verder is bepaald, dat mr. Ossentjuk bewijs van deze publicaties aan de rechtbank dient over te leggen.
Op 10 mei 2011 is ter griffie een faxbericht van mr. Ossentjuk ontvangen, met als bijlage vorenbedoelde publicatie in “de Telegraaf”.
De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren van 7 juni 2011.
Daarbij is mr. Ossentjuk verschenen en gehoord.
Ter griffie is op 7 juni 2011 een faxbericht van mr. Ossentjuk ontvangen.
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank neemt over hetgeen is overwogen en beslist in voormelde tussenbeschikking.
Vaststaat dat de vermiste is geboren in 1963 en dat zij voor het laatst op of omstreeks 8 februari 1998 is gezien door een politieagente in de nabijheid van haar woning te Groningen.
standpunt van verzoekster:
De vermiste is jarenlang als prostituee werkzaam geweest.
Na haar verdwijning is van vermiste taal noch teken meer vernomen. Onderzoek door de politie en aandacht aan de verdwijning in opsporingsprogramma’s op de televisie hebben niets opgeleverd.
Het bestaan van de vermiste is onzeker. Een rechtsvermoeden van overlijden biedt verzoekster enige zekerheid dat haar dochter is overleden. Er loopt nog een levensverzekering op naam van vermiste. Verzoekster voldoet de verschuldigde premies. Deze verzekering kan na toewijzing van het verzochte tot uitkering komen.
beoordeling:
De vermiste heeft haar laatst bekende woonplaats in Groningen gehad en daarom is deze rechtbank bevoegd om van het onderhavige verzoekschrift kennis te nemen.
Voldoende aannemelijk is geworden dat het bestaan van de vermiste onzeker is en dat meer dan vijf jaar is verstreken vanaf de laatste tijding van haar leven.
Verzoekster is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in voormelde beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 8 maart 2011.
Volgens de ter zake door de advocaat overgelegde en ter zitting aangehaalde en overgelegde stukken is de vermiste opgeroepen om ter zitting van 7 juni 2011 te verschijnen door middel van oproepingen in het Nederlandse dagblad “de Telegraaf” van 11 maart 2011 en in “de Nederlandse Staatscourant”.
De vermiste is niet ter zitting verschenen, noch is er iemand verschenen die voor haar opkomt en die behoorlijk van haar in leven zijn doet blijken.
Gelet hierop alsmede op de inhoud van de overgelegde stukken en op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank van het in leven zijn van de vermiste niet gebleken en is er geen aanleiding om de oproeping van vermiste nog een keer te herhalen, alsmede getuigen te horen en de overlegging van bewijsstukken te gelasten ten bewijze dat aan de wettelijk gestelde vereisten is voldaan.
Het verzochte zal als hierna te melden worden toegewezen, waarbij als dag waarop de vermiste wordt vermoed te zijn overleden, 8 februari 1998 wordt gehanteerd, omdat zij op of omstreeks die datum voor het laatst is gezien.
BESLISSING
verklaart dat er rechtsvermoeden van overlijden op 8 februari 1998 bestaat van belanghebbende;
bepaalt dat de door verzoekster gemaakte kosten die verband houden met de onderhavige procedure op grond van artikel 1:413 lid 1 BW Pro ten laste van het vermogen van de vermiste worden gebracht.
Gegeven door mrs. D.A. Flinterman, M.J.B. Holsink en S. Stenfert Kroese en door eerstgenoemde uitgesproken ter openbare zitting van dinsdag 21 juni 2011, in tegenwoordigheid van G.D. Kuilman, griffier.