ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ9194

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
21 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
121050 - FA RK 10-2161
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D.A. Flinterman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming vervangende erkenning minderjarige bij weigering moeder

De man verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor de erkenning van zijn minderjarige kind, nadat de moeder weigerde mee te werken aan een DNA-onderzoek dat de afstamming moest vaststellen. De rechtbank oordeelde dat vanwege het gebrek aan medewerking van de moeder de man geacht wordt de biologische vader te zijn.

De rechtbank overwoog dat erkenning niet in strijd is met de belangen van het kind of de moeder, aangezien geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die daarop wijzen. De belangenafweging vindt plaats aan de hand van vaste rechtspraak en de wettelijke bepalingen in artikel 1:204 lid 3 BW Pro.

De rechtbank gaf de man vervangende toestemming tot erkenning en legde de moeder de kosten van het DNA-onderzoek van € 50,- op. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen kunnen hiertegen binnen drie maanden hoger beroep instellen.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming aan de man om zijn minderjarige kind te erkennen en veroordeelt de vrouw tot betaling van de DNA-onderzoekskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector Civielrecht
zaaknr.: 121050 / FA RK 10-2161
beschikking d.d. 21 juni 2011
in de zaak van:
[de man],
wonende te [adres],
verzoeker,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. F.H. Gart,
en
[de vrouw],
wonende te [adres],
verweerster,
hierna te noemen de vrouw,
niet in rechte verschenen.
PROCESVERLOOP
De rechtbank heeft op 25 januari 2011 een tussenbeschikking gegeven.
Op 17 mei 2011 is ter griffie van de rechtbank een brief ontvangen van M.A. Amama-de Koning, werkzaam bij Stichting Sanquin te Amsterdam.
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van 25 januari 2011.
Bij deze beschikking is de man niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van de minderjarige [naam minderjarige 2] en is een deskundigenonderzoek naar het DNA in het bloed of het wangslijm van de minderjarige [naam minderjarige 1] bevolen.
Vanwege Stichting Sanquin is aan de rechtbank bericht dat zij niet inhoudelijk aan de rechtbank kunnen rapporteren over de resultaten van een DNA-onderzoek omdat de vrouw niet reageert op de (herhaalde) oproep om DNA-materiaal af te staan.
De rechtbank overweegt dat, nu de vrouw onvoldoende medewerking verleent aan het door de rechtbank bevolen onderzoek naar de afstamming van [naam minderjarige 1], de rechtbank daaraan de conclusie zal verbinden dat de man geacht wordt de verwekker van [naam minderjarige 1] te zijn.
De man heeft aangevoerd dat hij [naam minderjarige 1] wil erkennen omdat hij niet alleen de biologische maar ook de juridische vader van haar wil zijn. Daarbij vindt hij het in haar belang dat zij weet wat haar afkomst is en wat haar familierechtelijke betrekkingen zijn.
In beginsel kan de man niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder overgaan tot erkenning. Ingevolge artikel 1:204, derde lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan echter de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden. Volgens vaste rechtspraak dient de rechtbank bij de belangenafweging in dit kader als uitgangspunt te nemen dat zowel het kind als de verwekker aanspraak er op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. De wetgever heeft daarbij zoveel mogelijk willen aansluiten bij de biologische werkelijkheid.
Het belang van de erkenner bij totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van het kind of die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind geschaad zouden worden als de toestemming zou worden vervangen.
Van schade aan de belangen van het kind is slechts sprake, indien ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico's aanwezig zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling.
In deze procedure zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die de rechtbank aanknopingspunten geven voor het oordeel dat erkenning in strijd is met de belangen van [naam minderjarige 1]. De rechtbank zal de man dan ook vervangende toestemming tot erkenning van [naam minderjarige 1] verlenen.
Ten aanzien van de onderzoekskosten voor het DNA-onderzoek, welke volgens Stichting Sanquin € 50,00 bedragen en door de rechtbank zijn voorgeschoten, is de rechtbank van oordeel dat deze door de vrouw aan de rechtbank moeten worden betaald,
De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw een bedrag van € 50,00 dient te storten op rekeningnummer 56.99.90.610 ten name van M.v.J. Arrondissement Groningen (539) onder vermelding van zaaknummer 121050 / FA RK 10-2161.
BESLISSING
De rechtbank:
verleent [de man], toestemming om het minderjarige kind:
* [naam minderjarige 1], geboren [in 2005] te Groningen,
te erkennen;
bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 50,00 dient te storten op rekeningnummer 56.99.90.610 ten name van M.v.J. Arrondissement Groningen (539) onder vermelding van zaaknummer 121050 / FA RK 10-2161;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. Flinterman, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2011 in aanwezigheid van de griffier.
mmv
De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking, voor zover hierin een eindbeslissing is opgenomen, in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.
Voor de partij, die in deze procedure niet is verschenen, vangt de termijn van drie maanden aan na de betekening van deze beschikking aan hem/haar in persoon dan wel op het moment, waarop deze beschikking aan hem/haar op andere wijze is bekend geworden.
Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daarover nader informeren.