ECLI:NL:RBGRO:2011:BR0136
Rechtbank Groningen
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering verlenging terbeschikkingstelling wegens prematuriteit
De rechtbank Groningen behandelde op 29 juni 2011 de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling van betrokkene. Betrokkene was sinds 3 juli 2008 ter beschikking gesteld en de terbeschikkingstelling was laatstelijk verlengd met twee jaar op 13 oktober 2010, waartegen betrokkene hoger beroep had ingesteld bij het gerechtshof Arnhem. De officier van justitie diende een nieuwe vordering in tot verlenging met één jaar, vooruitlopend op een mogelijke beslissing van het hof.
Tijdens de zitting op 15 juni 2011 betoogde de raadsman van betrokkene dat de vordering prematuur was en niet-ontvankelijk verklaard moest worden, mede omdat deze niet was onderbouwd met een gedegen verlengingsadvies. De rechtbank oordeelde dat volgens artikel 509o Sv een vordering tot verlenging niet eerder dan twee maanden voor afloop van de termijn mag worden ingediend. Hoewel een kort voor die termijn ingediende vordering niet altijd niet-ontvankelijk hoeft te zijn, voorziet het wettelijke systeem niet in een 'pro forma' vordering zoals deze.
Omdat er nog geen onherroepelijke beslissing lag over de eerdere verlengingsvordering en het hof het hoger beroep nog niet had behandeld, was de nieuwe vordering prematuur en zonder wettelijke grondslag. De rechtbank verklaarde daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling wegens prematuriteit.