ECLI:NL:RBGRO:2011:BR5786

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
29 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
127254 - JE RK 11-423
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Plaatsing minderjarige bij gezaghebbende vader op grond van art. 261 BW

De rechtbank Groningen heeft op 29 juli 2011 een beschikking gegeven inzake de uithuisplaatsing van een minderjarige bij de met gezag belaste vader. Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing werd gedaan door het bureau jeugdzorg Groningen (bjz) vanwege de hardnekkige problematiek bij de moeder, waaronder een milde borderline-stoornis die consequenties heeft voor haar opvoedkundig handelen.

De moeder betwistte de noodzaak van plaatsing bij de vader en stelde dat zij zelf de opvoedingsverantwoordelijkheid kan dragen. Zij wees op positieve ontwikkelingen en stelde dat bjz onvoldoende onderzoek had gedaan en onjuiste stellingen hanteerde. De vader was bereid samen met zijn partner de opvoeding op zich te nemen en achtte de moeder ongeschikt.

De kinderrechter oordeelde dat de uithuisplaatsing bij de vader noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De rechtbank onderschreef het standpunt van bjz dat plaatsing bij de andere gezaghebbende ouder de voorkeur heeft boven een netwerkplaatsing bij familie van de moeder. De moeder dient ruimte te bieden voor het contact tussen vader en kind. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden bestreden door hoger beroep.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de met gezag belaste vader voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector Civielrecht
zaaknr.: 127254 / JE RK 11-423
beschikking kinderrechter d.d. 29 juli 2011
inzake
* [minderjarige], geboren in de gemeente [geboorteplaats] [in 2004],
kind van:
[de vader],
wonende te [adres]
en
[de moeder],
wonende te [adres].
Het gezag over voornoemde minderjarige berust bij de ouders.
PROCESGANG
Op 15 juni 2011 heeft het bureau jeugdzorg Groningen (bjz) verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen, voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 2 juni 2012, gedateerd 14 juni 2011.
Daarbij is overgelegd het hulpverleningsplan en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling alsmede het indicatiebesluit.
Op 27 juni is per fax ter griffie van deze rechtbank een brief met bijlage van bjz binnengekomen.
Op 28 juni 2011 is ter griffie van deze rechtbank een akte overlegging produkties van
mr. R. Skála binnengekomen.
Op 29 juni 2011 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn daarbij: de moeder, bijgestaan door haar raadsman mr. R. Skála, de vader en dhr. G.H.M.J. van Luytelaar namens bjz.
Ter zitting heeft mr. Skála pleitaantekeningen overgelegd.
OVERWEGINGEN
De rechtbank neemt over hetgeen bij de eerdere beschikking van 18 mei 2011 is overwogen en beslist met betrekking tot de opvoedkundige kwaliteiten van de moeder en de noodzaak tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige] op dat moment.
Bij deze beschikking d.d. 18 mei 2011 is de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige verlengd met een jaar, ingaande 2 juni 2011, derhalve tot 2 juni 2012 en opgedragen aan bjz.
Voorts is bij voornoemde beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige in een voorziening voor pleegzorg verlengd, met ingang van 2 juni 2011 voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 2 juni 2012.
Standpunt van bjz
Middels een machtiging verblijft [naam minderjarige] sinds november 2010 in een voorziening voor pleegzorg. Moeders problematiek is hardnekkig en speelde ook al in het verleden. Moeder ontkent en bagatelliseert de problemen en kan daarom niet gemotiveerd aan haar problemen werken. Van de kant van moeder wordt met wrok en frustratie gereageerd in de richting van vader. Hierdoor houdt moeder de onveilige opvoedsituatie in stand. Voor [naam minderjarige] geldt een verzwaarde opvoedingseis waaraan moeder niet kan voldoen. Bjz is van mening dat moeder geen opvoedingsverantwoordelijkheid voor [naam minderjarige] kan dragen. [naam minderjarige] behoeft derhalve een langdurige vervangende opvoedsituatie.
Bjz heeft onderzoek verricht naar de mogelijkheid van plaatsing van [naam minderjarige] bij haar vader. Bjz verwijst hierbij naar het verslag van de ambulante ouderbegeleiding. Vader is coöperatief en handelt in het belang van de minderjarige. De contacten tussen [naam minderjarige] en vader en diens partner zijn al opgevoerd tot verblijf in de weekenden. Gebleken is dat [naam minderjarige], na deze bezoeken, positief terugkeert in het pleeggezin. [naam minderjarige] is op de hoogte gebracht van het voornemen tot plaatsing bij vader en diens partner. Voor haar is het perspectief duidelijk. Vader en diens partner hebben voldoende pedagogische capaciteiten en vullen elkaar goed aan. Daarbij werken zij goed samen met de hulpverlening.Voorts is er aandacht besteed aan loyaliteitsdilemma's en eventuele stiefouderproblematiek bij [naam minderjarige] en hoe daar mee om te gaan. Vader en zijn partner stellen zich meervoudig onpartijdig op in de richting van moeder. Bjz acht het van belang dat [naam minderjarige] ook contacten met moeder onderhoudt als zij bij vader woont.
Van belang is om [naam minderjarige] rond de zomervakantie 2011 naar vader over te plaatsen zodat zij met het nieuwe schooljaar op de nieuwe school kan instromen. Een andere reden is dat de huidige plaatsing in een pleeggezin een observatieplaatsing betreft voor de maximale duur van negen maanden. Omdat [naam minderjarige] op een plaatsing bij vader is voorbereid dient langer talmen dan nodig voorkomen te worden.
Standpunt van de moeder
Moeder is het niet eens met het voornemen om [naam minderjarige] bij de vader te plaatsen. Ze is van mening dat zij zelf de opvoedingsverantwoordelijkheid kan dragen. Er is bij moeder een positieve ontwikkeling gaande, dit blijkt ook uit een recente verklaring van Lentis. Moeder is van mening dat bjz, ondanks de conclusie van de klachtencommissie, nog steeds nalaat om een nadere uitwerking van de klachten te geven. Bjz blijft zich, ondanks bewijzen van het tegendeel, beroepen op onjuiste stellingen. Moeder wordt niet of onvoldoende in staat gesteld zich hiertegen te verweren. Er is sprake van een onvolledig onderzoek. Feiten en omstandigheden die in het nadeel zijn van vader worden weggelaten of gewoon niet verder onderzocht. Bjz draagt opzettelijk bij aan de verwijdering tussen moeder en [naam minderjarige].
In de ogen van moeder handelt bjz niet in het belang van [naam minderjarige] doch enkel en alleen in het belang van vader en diens partner. Een minder stressvolle oplossing om [naam minderjarige] bij de oudste dochter van moeder te plaatsen is door bjz niet nader onderzocht. Er is geen dusdanige onveilige situatie dat [naam minderjarige] niet teruggeplaatst zou kunnen worden naar moeder. De door bjz verzochte netwerkplaatsing bij vader kan niet in het belang van [naam minderjarige] worden geacht. Er zijn betere oplossingen en het verzochte kan de wettelijke toetsingsgronden niet doorstaan. Primair dient het verzoek te worden afgewezen en subsidiair dient er gekeken te worden naar een minder stressvolle oplossing.
Standpunt van de vader
Er zijn veel problemen geweest die hebben geleid tot een uithuisplaatsing van [naam minderjarige]. Vader acht moeder niet in staat [naam minderjarige] op te voeden. Vader is bereid om samen met zijn partner de opvoedingsverantwoordelijkheid voor [naam minderjarige] te dragen. [naam minderjarige] moet duidelijkheid krijgen.
Beoordeling door de kinderrechter
Op grond van de verkregen inlichtingen is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van bovengenoemde minderjarige, gedurende dag en nacht, bij de met het gezag belaste vader, voor de duur van de ondertoezichtstelling, noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding.
De kinderrechter overweegt daartoe dat er psychiatrische diagnostiek bij Lentis heeft plaatsgevonden waaruit is gebleken dat er bij de moeder een milde vorm van een borderline-stoornis aanwezig wordt geacht. Zelfdestructieve elementen ontbreken weliswaar maar de diagnose heeft naar het oordeel van de kinderrechter wel consequenties voor het opvoedkundig handelen van de moeder en de wijze waarop zij om gaat met anderen in relaties.
De klachtencommissie van bjz heeft weliswaar de ingediende klachten in beperkte mate als gegrond aangemerkt maar er zijn destijds wel meerdere zorgsignalen geweest die aanleiding hebben gegeven tot een uithuisplaatsing van de minderjarige.
Uit overige referenties van hulpverleners zoals een psychiater van Lentis, de huisarts en een begeleider van Promens Care blijkt dat de moeder zich ondanks haar stoornis bewonderenswaardig staande houdt met betrekking tot de verwerking van de uithuisplaatsing van de minderjarige. Dit mag naar het oordeel van de kinderrechter echter niet leiden tot de conclusie dat hetgeen is aangenomen over moeders pedagogische vaardigheden niet langer geldt. De kinderrechter zal daarmee rekening houden bij het nemen van een beslissing over de uithuisplaatsing.
Hetgeen in deze procedure voorligt betreft de uithuisplaatsing van de minderjarige bij de eveneens met het gezag belaste vader. De vraag of de minderjarige teruggeplaatst moet worden bij de moeder is op dit moment niet aan de orde. De kinderrechter moet hierbij letten op de belangen van de minderjarige. Er is al een aantal malen een wijziging geweest in de woonsituatie van de minderjarige. Gelet op haar leeftijd en problematiek moet er nu een beslissing worden genomen die zoveel mogelijk perspectief biedt op een blijvende situatie. Het is van belang dat de minderjarige duidelijkheid krijgt. Een terugplaatsing van de minderjarige naar de moeder valt niet binnen de criteria van een dusdanig perspectief biedende plaatsing. Daarentegen lijkt een plaatsing van de minderjarige bij de vader, gelet op het verslag van de ambulante ouderbegeleiding, een dergelijk perspectief wel te bieden.
De keuze van bjz om onderzoek te doen naar plaatsing van de minderjarige bij een gezaghebbende ouder in plaats van een netwerkplaatsing bij familie van de moeder kan de kinderrechter vanuit de pedagogische ontwikkelingstheorie ten aanzien van de minderjarige onderschrijven.
Wel wil de kinderrechter hierbij opmerken dat het ongelukkig en niet wenselijk ware geweest dat aan de minderjarige het voornemen tot plaatsing bij de vader kenbaar is gemaakt terwijl een rechterlijke beslissing hierover nog moest worden genomen.
De moeder dient ruimte te bieden voor het verder opbouwen van het contact tussen vader en de minderjarige. Met de manier waarop de moeder strijd beleeft, zowel met vader als met de gezinsvoogdij-instelling, en daarop reageert handelt zij niet in het belang van [naam minderjarige]. Het feit dat de moeder telkens naar voren brengt dat zij de vader ongeschikt vindt als opvoeder kan leiden tot een loyaliteitsconflict bij [naam minderjarige].
Een wijziging van de verblijfplaats van [naam minderjarige] bij vader is noodzakelijk in het belang van haar opvoeding en verzorging teneinde de ontwikkelingsbedreigingen op te heffen.
Vader, die eveneens met het gezag belast is, is in staat [naam minderjarige] voldoende te verzorgen en op te voeden. Het belang van een onbedreigde ontwikkeling van [naam minderjarige] bij de biologische vader sluit het beste aan bij de behoefte van [naam minderjarige].
BESLISSING
verleent machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige] gedurende dag en nacht, bij de met het gezag belaste vader, voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 2 juni 2012;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. M.J.B. Holsink, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.J. van der Meulen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2011.
Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden.