ECLI:NL:RBGRO:2011:BU9228

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
10 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
481419 - CV EXPL 10-19924
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 lid 2 RvArt. 27 WAMArt. 151 lid 2 RvArt. 150 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor schade na aanrijding bij benzinestation

In deze civiele procedure vordert het Waarborgfonds Motorverkeer vergoeding van schade die zij aan R. heeft vergoed na een aanrijding waarbij Q. betrokken was. Q. heeft een toedrachtformulier ondertekend waarin zij verklaart achteruit te zijn gereden, wat dwingende bewijskracht heeft volgens artikel 157 lid 2 Rv Pro. Dit leidt tot de voorlopige conclusie dat Q. aansprakelijk is voor de schade.

Tijdens de procedure betwist Q. slechts de schade aan het linkerportier van het voertuig. De kantonrechter wijst toe dat Q. een bedrag van € 510,70 moet betalen, bestaande uit het schadebedrag minus de betwiste kosten voor het linkerportier. Het Waarborgfonds krijgt de gelegenheid om aanvullend bewijs te leveren voor de schade aan het linkerportier, inclusief het horen van getuigen.

Daarnaast worden buitengerechtelijke kosten van € 89,25 toegewezen, omdat hiertegen geen verweer is gevoerd. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor verdere bewijslevering en uitlatingen van partijen, waarbij geen uitstel wordt verleend. Verdere beslissingen worden aangehouden.

Het vonnis is gewezen door kantonrechter F. de Jong en op 10 november 2011 uitgesproken.

Uitkomst: Q. wordt veroordeeld tot betaling van € 510,70 en het Waarborgfonds krijgt gelegenheid tot bewijslevering voor de betwiste schade.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
Sector kanton
Locatie Groningen
Zaak\rolnummer: 481419 \ CV EXPL 10-19924
Vonnis d.d. 10 november 2011
inzake
de stichting Stichting Waarborgfonds Motorverkeer,
gevestigd te Rijswijk,
eiseres, hierna het Waarborgfonds te noemen,
gemachtigde J. Haringa, gerechtsdeurwaarder te Groningen,
tegen
Q.,
wonende te [adres],
gedaagde, hierna Q. te noemen,
gemachtigde, mr. F.L. van Lelyveld, advocaat te Leek.
PROCESGANG
Ingevolge het tussenvonnis van 31 maart 2011 is op 24 augustus 2011 een comparitie van partijen gehouden. Het Waarborgfonds is verschenen bij mr. J.J.CM. Mostart, Q. is niet verschenen, haar gemachtigde wel. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Een beslissing over de voortgang van de procedure is in afwachting van onderhandelingen tussen partijen aangehouden.
Het Waarborgfonds heeft vervolgens een akte genomen, waarbij is medegedeeld dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen.
Daarna is wederom vonnis bepaald, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
1. De kantonrechter neemt over en verwijst naar hetgeen zij in haar tussenvonnis van 31 maart 2011 heeft overwogen en beslist.
2. De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of Q. aansprakelijk is voor de schade die het Waarborgfonds aan R. heeft vergoed. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat dit het geval is. Q. heeft, zo is niet betwist, na de aanrijding bij het benzinestation een toedrachtformulier ondertekend. Daarop staat vermeld - anders dan in deze procedure door haar is gesteld - dat Q. degene was die achteruit reed.
Zij heeft op het formulier haar handtekening geplaatst onder de situatietekening, waarbij eveneens is aangegeven dat haar auto de auto is die achteruit reed. Gelet op het bepaalde in artikel 157 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft dit door beide (bij de aanrijding) betrokken partijen tussen hen dwingende bewijskracht. Nu het Waarborgfonds ingevolge artikel 27 WAM Pro in de rechten van R. is getreden, geldt die dwingende bewijskracht ook voor het Waarborgfonds. In beginsel staat hier op grond van artikel 151 lid 2 Rv Pro tegenbewijs tegen open. Q. heeft echter noch de inhoud van het toedrachtsformulier, noch de ondertekening daarvan weersproken, zodat Q. niet zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Een en ander leidt tot de conclusie dat Q. in beginsel aansprakelijk is voor de schade die aan het voertuig van R. is toegebracht.
3. De vraag is vervolgens welke schade voor vergoeding in aanmerking komt. De kantonrechter constateert dat Q. slechts de schade aan het linkerportier en de herstelkosten daarvan heeft betwist. Gelet op de hiervoor getrokken conclusie betekent dit dat Q. in ieder geval het schadebedrag van € 421,45 dient te vergoeden, zijnde een bedrag van € 592,81 - € 171,36 (kosten in verband met linkerportier). De kantonrechter zal dit bedrag dan ook toewijzen. Ten aanzien van de schade aan het linkerportier wordt het volgende overwogen.
4. Op het toedrachtformulier staat vermeld dat de deuk aan de linkerkant van de auto zit, net voor het wiel. Het Waarborgfonds heeft weliswaar gesteld dat daarmee schade aan het linkerportier logisch, althans niet onlogisch is, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat er schade aan het linkerportier is ontstaan ten gevolge van de aanrijding, zeker gelet op de betwisting van Q. op dat punt. Op grond van de hoofdregel in artikel 150 Rv Pro is het aan het Waarborgfonds om te bewijzen dat de door Q. veroorzaakte schade mede ziet op het linkerportier. Nu het Waarborgfonds nadrukkelijk bewijs heeft aangeboden zal de kantonrechter het Waarborgfonds tot bewijs toelaten als in het dictum van dit vonnis omschreven. De zaak zal naar de rolzitting worden verwezen, zodat het Waarborgfonds te kennen kan geven of en hoe het aan de bewijsopdracht wenst te voldoen. Uiteraard kan deze uitlating schriftelijk worden gedaan. Voor het geval het Waarborgfonds getuigen wenst te laten horen, dienen alsdan de namen van de te horen getuigen op te worden gegeven, alsmede de verhinderdata in de periode van twee maanden volgende op die rolzitting. Q. dient op deze rolzitting (schriftelijk) haar verhinderdata in deze periode op te geven. Indien een getuigenverhoor dient plaats te vinden, zal op die zitting een datum voor het verhoor worden vastgesteld.
5. Voorts ziet de kantonrechter aanleiding om nu reeds een bedrag van € 89,25 aan buitengerechtelijke kosten toe te wijzen en wel gebaseerd op het thans toegewezen bedrag aan hoofdsom. Tegen de meegevorderde buitengerechtelijke kosten is immers door Q. geen afzonderlijk verweer gevoerd. Mocht na eventuele bewijsvoering blijken dat Q. meer verschuldigd is dan thans wordt toegewezen, dan zal de kantonrechter beoordelen of en in hoeverre het andere deel van de gevorderde buitengerechtelijke kosten toewijsbaar is.
6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden
BESLISSING
De kantonrechter:
veroordeelt Q. om tegen bewijs van betaling aan het Waarborgfonds te betalen een bedrag van € 510,70;
verklaart het vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
laat het Waarborgfonds toe tot het bewijs dat door de aanrijding op 5 oktober 2003 door Q. schade aan het linkerportier van de Ford Sierra met het kenteken [kenteken] is toegebracht;
verwijst de zaak naar de rolzitting van 8 december 2011 voor uitlating door partijen als bedoeld in overweging 4;
bepaalt dat voor de uitlating door partijen en het mogelijk te houden getuigenverhoor in beginsel geen uitstel zal worden verleend;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong, kantonrechter, en op 10 november 2011 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.
typ: FdJ
coll: