ECLI:NL:RBHAA:1999:AA3991
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen ouderbijdrage opgelegd op grond van Wet op de jeugdhulpverlening
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten waarbij op grond van de Wet op de jeugdhulpverlening ouderbijdragen zijn opgelegd voor de plaatsing van haar kinderen in een residentiële voorziening. Na afwijzing van haar bezwaren door verweerder, het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.
Tijdens de zitting is de bevoegdheid van verweerder om namens de Staatssecretaris van Justitie op te treden bevestigd op basis van artikel 38 van Pro de Wet Landelijk bureau Inning Onderhoudsbijdragen. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar- en beroepschrift ondanks de termijnoverschrijding ontvankelijk is vanwege het ontbreken van verzuim.
De rechtbank stelt vast dat de ouderbijdragen zijn vastgesteld conform het Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening, waarin geen mogelijkheid tot afwijking ten gunste van eiseres is opgenomen. De financiële draagkracht van eiseres en eerdere beschikking omtrent nihil-bijdrage voor een kind leiden niet tot een ander oordeel.
Wel wordt erkend dat het uitgangspunt van inkomensonafhankelijke ouderbijdragen niet altijd overeenkomt met de werkelijkheid. Daarom is een schrijnende gevallenregeling ingevoerd, waarbij betalingsverplichtingen kunnen worden opgeschort bij onvoldoende draagkracht en geen kinderbijslag. Eiseres maakt sinds maart 1997 gebruik van deze regeling.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de opgelegde ouderbijdrage wordt ongegrond verklaard.