ECLI:NL:RBHAA:1999:AF0359
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goed vertrouwen
Op 16 augustus 1999 heeft verzoeker een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Tijdens de terechtzitting van 24 augustus 1999 is verzoeker gehoord. De rechtbank heeft het proces-verbaal van deze zitting betrokken in haar oordeel.
De rechtbank constateert dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest met betrekking tot het ontstaan van een substantieel deel van de schulden. Dit blijkt vooral uit het ontbreken van een boekhouding over de jaren 1995 en 1996. Daarnaast betreft een aanzienlijk deel van de schulden de belastingdienst en de bedrijfsvereniging, samen ongeveer een kwart van de totale schuldenlast.
Van belang is dat verzoeker eerder een bedrijf heeft gehad en daardoor bekend moet zijn met de verplichtingen die bij het voeren van een onderneming horen. Dit in tegenstelling tot zijn zoon, die bij het aangaan van de vennootschap onder firma minderjarig was.
Gezien deze omstandigheden wijst de rechtbank het verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goed vertrouwen.