ECLI:NL:RBHAA:1999:AF0359

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
24 augustus 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/409/R 58456
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goed vertrouwen

Op 16 augustus 1999 heeft verzoeker een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Tijdens de terechtzitting van 24 augustus 1999 is verzoeker gehoord. De rechtbank heeft het proces-verbaal van deze zitting betrokken in haar oordeel.

De rechtbank constateert dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest met betrekking tot het ontstaan van een substantieel deel van de schulden. Dit blijkt vooral uit het ontbreken van een boekhouding over de jaren 1995 en 1996. Daarnaast betreft een aanzienlijk deel van de schulden de belastingdienst en de bedrijfsvereniging, samen ongeveer een kwart van de totale schuldenlast.

Van belang is dat verzoeker eerder een bedrijf heeft gehad en daardoor bekend moet zijn met de verplichtingen die bij het voeren van een onderneming horen. Dit in tegenstelling tot zijn zoon, die bij het aangaan van de vennootschap onder firma minderjarig was.

Gezien deze omstandigheden wijst de rechtbank het verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling af.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goed vertrouwen.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Haarlem
Enkelvoudige kamer
X. te P.
Verzoeker,
heeft op 16 augustus 1999 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ter terechtzitting van 24 augustus 1999 is verzoeker gehoord.
Mede gelet op het proces-verbaal van verhoor van de terechtzitting van 24 augustus 1999, waarvan de inhoud als hier ingevoegd dient te worden beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan van een substantieel deel van de schulden, met name ten gevolge van het ontbreken van een boekhouding over de jaren 1995 en 1996, niet te goedertrouw is geweest. Voorts constateert de rechtbank dat een zéér substantieel deel van de schulden de Ontvanger der directe belastingen en de bedrijfsvereniging betreft, te weten fl. 120.332, en fl. 31.685,17, samen ongeveer één vierde van de totale schuldenlast ten aanzien waarvan verzoeker niet te goeder trouw moet zijn geacht. Van belang acht de rechtbank hierbij dat verzoeker al eerder een bedrijf heeft gehad en dus, in tegenstelling tot zijn zoon Y. die bij het aangaan van de VOF 17 jaar was, volledig op de hoogte moet worden geacht van de verplichtingen die bij het voeren van een onderneming horen.
Het verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling dient derhalve te worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
-wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. M.C.M. van Dijk, rechter, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.