ECLI:NL:RBHAA:2002:AE3273

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
22 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
162780
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.J.P. Veenhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 6:237 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering annuleringskosten wegens onredelijk bezwarend annuleringsbeding

TIO vordert betaling van annuleringskosten van € 850 wegens annulering van een cursusinschrijving door de gedaagde. De gedaagde betwist de vordering en stelt dat het annuleringsbeding onredelijk bezwarend is, omdat annulering na het intakegesprek kosteloos zou moeten zijn en de kosten hoog zijn in verhouding tot de mogelijke schade.

De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 6:237 BW Pro een annuleringsbeding vermoed onredelijk bezwarend te zijn, tenzij het een redelijke vergoeding betreft voor geleden schade of gederfde winst. TIO heeft nagelaten om concreet aan te tonen dat zij schade heeft geleden of gederfde winst heeft, en heeft ook het cursusgeld niet gespecificeerd.

Gezien het ontbreken van bewijs dat de annuleringskosten redelijk zijn, wordt het vermoeden van onredelijkheid niet weerlegd. Daarom wijst de kantonrechter de vordering af en veroordeelt TIO in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot betaling van annuleringskosten wordt afgewezen wegens onredelijk bezwarend annuleringsbeding.

Uitspraak

Rechtbank Haarlem
sector kanton, locatie Haarlem
zaaknummer: 162780
datum uitspraak: 22 mei 2002
De zaak is op grond van de Wet organisatie en bestuur gerechten in de staat waarin deze zich bevond overgedragen aan de rechtbank Haarlem per 1 januari 2002 en wordt daar behandeld in de sector kanton.
VONNIS VAN DE KANTONRECHTER
in de zaak van
De besloten vennootschap HOGESCHOOL TIO B.V.
te Hengelo
eisende partij
hierna te noemen TIO
gemachtigde mr. R.F. Mellema
--tegen--
[gedaagde]
te Hoofddorp
gedaagde partij
hierna te noemen [gedaagde]
gemachtigde mr. R.A. Rhodes
De procedure
TIO heeft [gedaagde] op 12 november 2001 doen dagvaarden en gevorderd conform de dagvaarding. [gedaagde] heeft geantwoord. TIO heeft de vordering vervolgens nader toegelicht. [gedaagde] heeft daarop gereageerd. [gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek nog producties in het geding gebracht. Nu deze producties van TIO afkomstig zijn, het betreft immers een brief van TIO aan [gedaagde] en de door TIO gehanteerde Algemene Voorwaarden, zijn deze producties bij TIO bekend en is er geen noodzaak om TIO alsnog in de gelegenheid te stellen om op die producties te reageren.
De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist het volgende vast.
a. [gedaagde] heeft zich op 25 mei 2000 bij TIO laten inschrijven als cursist voor de opleiding Toeristisch Receptionist(e) Host(ess) (TRH). Zij heeft ƒ 150,-- inschrijfgeld betaald.
b. Op 7 juli 2000 heeft een intakegesprek plaatsgevonden.
c. Bij brief van 12 juli 2000 heeft TIO aan [gedaagde] de acceptatie voor de opleiding bevestigd.
d. Bij schrijven van 31 juli 2000 heeft [gedaagde] de inschrijving geannuleerd.
e. Voor annuleringen gedaan tussen 1 juli en 1 september worden door TIO annuleringskosten ad ƒ 1.000,-- in rekening gebracht.
f. [gedaagde] heeft de annuleringskosten van pro resto ƒ 850,-- onbetaald gelaten.
De vordering
TIO vordert (samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 385,71 (ƒ 850,--), te vermeerderen met de wettelijke rente die tot en met 15 oktober 2001 € 31,82 (ƒ 70,13 ) bedraagt en de buitengerechtelijke kosten ad. € 81,00 (ƒ 178,50) inclusief BTW, derhalve in totaal € 498,53 (ƒ 1.098,63). TIO baseert deze vordering op de vaststaande feiten en op het navolgende.
[gedaagde] heeft de inschrijving op 31 juli 2000 geannuleerd, zodat TIO conform de toepasselijke Algemene Voorwaarden ƒ 1.000,-- annuleringskosten in rekening heeft gebracht. [gedaagde] heeft de annuleringskosten onbetaald gelaten en komt haar verplichtingen jegens TIO derhalve niet na.
Het verweer
[gedaagde] betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan.
[gedaagde] beroept zich op artikel 6:233 jo Pro 6:237 aanhef en onder i BW en roept de nietigheid van het annuleringsbeding in. TIO kan de inschrijving na het intake gesprek, dat eerst op 7 juli 2000 plaatsvond, kosteloos ongedaan maken, terwijl annulering door [gedaagde] hoge kosten met zich brengt. De periode tussen 1 juli en 1 september ligt in de zomervakantie. De cursussen zijn dan nog niet of net wel begonnen. Een opzegging in die periode kan voor eiseres nimmer een hoge schadepost opleveren. Nu de annuleringskosten ƒ 1.000,-- bedragen, dient het annuleringsbeding in de algemene voorwaarden als onredelijk bezwarend te worden aangemerkt.
De beoordeling van het geschil
Een in de Algemene Voorwaarden voorkomend beding dat de wederpartij verplicht een geldsom te betalen bij annulering wordt op grond van artikel 6:237 i BW vermoed onredelijk bezwarend te zijn, behoudens voor zover het betreft een redelijke vergoeding voor door de gebruiker geleden verlies of gederfde winst. Aan de orde is de vraag of het in de Algemene Voorwaarden opgenomen bedrag van ƒ 1.000,-- aan annuleringskosten bij annulering tussen 1 juli en 1 september kan worden beschouwd als een redelijke vergoeding voor de door TIO geleden schade of gederfde winst. TIO, op wie de bewijslast rust, stelt daartoe dat rond 1 juli van elk jaar de meeste schoolverlaters hun studiekeuze al hebben bepaald en het voor TIO niet eenvoudig is om nog nieuwe kandidaten voor de opleiding te vinden. Annuleringen na 1 juli betekenen volgens TIO dan ook doorgaans lege plaatsen in het studiejaar erna. TIO heeft echter nagelaten om gespecificeerd aan te geven of zij in het onderhavige geval schade heeft geleden en, zo ja, tot welk bedrag. Evenmin heeft TIO aangegeven wat de hoogte is van het cursusgeld, zodat niet kan worden beoordeeld of de annuleringskosten in redelijke verhouding staan tot het cursusgeld. Bij die stand van zaken is de kantonrechter van oordeel dat TIO het vermoeden dat het annuleringsbeding onredelijk bezwarend is onvoldoende heeft weerlegd. Nu TIO niet heeft gesteld dat er in casu sprake is van door haar geleden verlies of gederfde winst, ziet de kantonrechter geen aanleiding voor een ambtshalve bewijsopdracht.
Het vorenstaande brengt mee dat de vordering wordt afgewezen.
De proceskosten komen voor rekening van TIO omdat deze in het ongelijk is gesteld.
Beslissing
De kantonrechter:
- wijst de vordering af;
- veroordeelt TIO tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] tot en met vandaag
worden begroot op € 180,00 aan salaris gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.