ECLI:NL:RBHAA:2002:AE3699
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vervangende toestemming tot erkenning van minderjarige ondanks verzet moeder
De man en vrouw hebben van 1990 tot 1998 samengewoond en hebben samen een minderjarig kind, geboren in 1993. Na het beëindigen van de samenwoning woonde de man tot mei 1999 met het kind samen. De man verzocht de rechtbank om vervangende toestemming tot erkenning van het kind, omdat de moeder haar toestemming weigerde zonder redelijke grond.
De vrouw erkende dat de man de verwekker is, maar betoogde dat erkenning haar recht op eerbiediging van het gezinsleven zou schaden en dat de man zich weinig met de verzorging van het kind heeft bemoeid. De bijzondere curator, benoemd om het belang van het kind te behartigen, concludeerde echter dat erkenning in het belang van het kind is.
De rechtbank oordeelde dat de man en het kind aanspraak hebben op familierechtelijke erkenning, mits de belangen van het kind en de moeder bij een ongestoorde verhouding niet worden geschaad. Gezien de eerdere gezinswoning, de omgangsregeling en het oordeel van de curator, achtte de rechtbank erkenning in het belang van het kind en wees het verzoek van de man toe. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming tot erkenning van het minderjarige kind door de man.