5. De gronden van de beslissing
5.1 De vordering betreft de eigendom van door BNTI gebouwde repeater stations in Engeland, Duitsland en Tsjechië. BNTI heeft die repeater stations gebouwd, nadat één van de KPNQwest maatschappijen ter plaatse een site order had geplaatst, zoals in artikel 2.1 van de overeenkomst is omschreven. Ingevolge artikel 2.3 van de overeenkomst worden de verrichte werkzaamheden bij de locale groepsmaatschappijen in re-kening gebracht en wordt, indien aan de terzake geldende voorwaarden is voldaan, de locale groepsmaatschappij eigenaar van de repeater stations. De repeater stations zijn derhalve eigendom van hetzij BNTI, hetzij van één van de locale groepsmaatschappijen. De bevoegdheid om de repeater stations eventueel uit het vermogen van de locale groepsmaatschappijen te vervreemden komt derhalve toe aan de bestuurders van die maatschappijen zelf en niet aan gedaagden.
5.2 Niet is aangetoond dat gedaagden zeggenschap hebben in het bestuur van de locale groepsmaatschappijen, waaraan geleverd is. De omstandigheid dat gedaagde sub 2. indirect de aandelen in de buitenlandse maatschappijen houdt, geeft haar nog geen zeggenschap in het bestuur van die maatschappijen. Die zeggenschap berust immers bij de locale bestuurders, respectievelijk de curator van de groepsmaatschappij in Duitsland. Indien de curatoren van gedaagde sub 2. haar (indirect gehouden) aandelen in de buitenlandse maatschappijen zouden vervreemden, brengt dat geen wijziging in de rechten en verplichtingen van het bestuur c.q. de curator van die groepsmaatschappijen zelf.
5.3 De conclusie van het voorgaande is dat, indien BNTI zich ten aanzien van de repeater stations op een eigendomsvoorbehoud wil beroepen, zij zich dient te wenden -hetgeen, naar ter zitting is gebleken, (nog) niet is gebeurd- tot de buitenlandse KPNQwest maatschappijen, waaraan zij geleverd heeft.
5.4 BNTI kan zich evenmin met vrucht op de door gedaagde sub 2. afgegeven "parental guarantee" beroepen. Die garantie ziet immers op verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst. De door BNTI beoogde verklaring houdende erkenning van de eigendomsrechten van BNTI, is niet als zodanig aan te merken. Daarbij komt dat de garantie slechts de verplichtingen van gedaagde sub 1. betreft, die, zoals hiervoor werd overwogen ten aanzien van de repeater stations geen zeggenschap heeft.
5.5 Reeds op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat BNTI gedaagden ten onrechte in dit kort geding heeft betrokken, zodat de vordering zal worden afgewezen, waarbij de voorzieningenrechter overweegt dat ook de andere verweren van gedaagden doel treffen. BNTI zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Gelet op het, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, volstrekt onhoudbare standpunt van BNTI en de werkzaamheden die de raadsman van KPNQwest voor het onderhavige kort geding -met de door BNTI gestelde bijzondere spoed- heeft moeten verrichten, zal het procureurssalaris worden begroot als na te melden.