ECLI:NL:RBHAA:2002:AF1850
Rechtbank Haarlem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Weigering DNA-test voor vaststelling biologisch vaderschap in kort geding
In deze zaak vordert eiser dat gedaagde wordt veroordeeld tot medewerking aan een DNA-test bij hun minderjarige zoon M., om vast te stellen of eiser de biologische vader is. Eiser baseert zijn vordering op gerede twijfel over zijn vaderschap, die is ontstaan na uitlatingen van gedaagde en conflicten tussen partijen.
Gedaagde verzet zich tegen de vordering en voert aan dat zij de biologische vaderrol van eiser erkent en dat er geen redelijke grond is voor twijfel. De voorzieningenrechter weegt het belang van eiser om zekerheid te verkrijgen tegen het belang van de minderjarige bij behoud van lichamelijke integriteit.
De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft gesteld die zijn twijfel rechtvaardigen. De enkele opmerking dat het kind niet op hem lijkt is onvoldoende. De vordering wordt daarom geweigerd en de proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten.
Uitkomst: De voorzieningenrechter weigert de vordering tot medewerking aan een DNA-test met de minderjarige.