ECLI:NL:RBHAA:2003:AF6131
Rechtbank Haarlem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering tot herintreding leerling na onrechtmatige schorsing en verwijdering
De zaak betreft een geschil tussen een vader, als wettelijk vertegenwoordiger van zijn zoon, en een stichting die bevoegd gezag is over een christelijke scholengemeenschap. De zoon, lid van een groep leerlingen die zich onderscheidde door rechts-extremistische uitingen en kleding, werd geschorst en vervolgens verwijderd vanwege weigering een convenant te tekenen dat onder meer kledingvoorschriften bevatte.
De vader vorderde onmiddellijke herintreding van zijn zoon en het inhalen van achterstallig onderwijs. De stichting voerde verweer en stelde dat de maatregelen noodzakelijk waren vanwege onrust en onveiligheid op school.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het besluit tot verwijdering onrechtmatig was, omdat het niet door het bevoegde gezag was genomen en de procedurele vereisten niet volledig waren nageleefd. Tevens werd geoordeeld dat de maatregel proportioneel was gezien de onrust, maar dat het opleggen van kledingvoorschriften via een convenant onder dreiging van verwijdering niet aanvaardbaar was. De vordering tot herintreding en inhaalmogelijkheden werd toegewezen, met veroordeling van de stichting in de proceskosten.
Uitkomst: De verwijdering van de leerling is onrechtmatig verklaard en hij moet onmiddellijk worden toegelaten en in staat worden gesteld achterstallig onderwijs in te halen.