subsidiair: onrechtmatige daad
1.186.18 Subsidiair stellen curatoren dat AH NV onrechtmatig handelde jegens de crediteuren van AHC door:
(1) in Reorganisatie-overeenkomst I een te lage prijs overeen te komen voor de aan-delen AHL I,
(2) het Dividendbesluit te nemen, waarbij besloten is tot uitkering door AHC van een dividend ter grootte van de koopsom door middel van verrekening met de desbe-treffende schuld van AH NV en
(3) een en ander niet aan te passen toen op 31 maart 1998 tezelfdertijd de sale and lease back en de levering van de aandelen AHL I voltooid werden.
6.19 Nu in het bovenstaande reeds is uitgemaakt dat de stelling van curatoren dat de koopsom voor de aandelen AHL I te laag was, niet is komen vast te staan, is evenmin sprake van onzorgvuldig of onrechtmatig handelen van AH NV ter zake.
6.20 Wil de dividenduitkering onrechtmatig zijn, dan dient zij door AH NV verricht te zijn, terwijl AH NV ernstig met de mogelijkheid van een tekort bij AHC rekening had moeten houden, in die zin dat er in maart 1997 voor die mogelijkheid concrete aan-wijzingen waren (HR 9 mei 1986, NJ 1986, 792). Dit tekort zou er bovendien toe heb-ben moeten leiden dat niet alle toenmalige schuldeisers uit het vermogen van AHC voldaan konden worden.
6.21 De rechtbank is van oordeel dat de curatoren onvoldoende gesteld hebben om aan te nemen dat deze concrete aanwijzingen er in maart 1997 waren. In de periode tussen het Dividendbesluit en de voorlopige surséance van betaling van AHC van 2 novem-ber 1999 lag tenminste 2,5 jaar. AHC kon tot kort voor de surséance steeds al haar crediteuren voldoen, mede door de renteloze lening van AHL I. Het faillissement van AHC lijkt meer het gevolg te zijn van de in het jaar 1999 opgetreden en niet voorzien-bare stijgingen van de dollarkoers en de brandstofprijzen.
6.22 Evenmin was er aanleiding de prijs van de aandelen AHL I op 31 maart 1998 aan te passen, toen de OZA middels een sale and lease back werd verkocht. Het met de boekwinst gemoeide bedrag verliet de Air Holland Groep niet, doch bleef beschikbaar voor de financiering van haar bedrijfsactiviteiten, in het bijzonder die van AHC.
6.23 Nu geen sprake is van onrechtmatig handelen van AH NV, zijn de overige vorderin-gen van de curatoren tegen bestuurders en commissarissen op grond van onbehoorlijk, dan wel onzorgvuldig handelen door hen individueel dan wel in groepsverband even-min toewijsbaar.
6.24 Als de in het ongelijk te stellen partij, zullen de curatoren in de kosten van de procedure in conventie worden veroordeeld.
In reconventie
6.25 Gedaagde sub 7, [H], stelt dat hij ten onrechte en lichtvaardig door curatoren in rechte is betrokken. Een deugdelijke onderbouwing van hun vordering ontbreekt, waarmee curatoren misbruik van recht maken, hetgeen onrechtmatig is jegens [H]. [H] stelt dat curatoren ruim twee en een half jaar hebben gewacht, voordat zij [H] in rechte betrokken. [H] is bij brief van 27 maart 2002 door curatoren aansprakelijk gesteld zonder deugdelijk onderzoek naar zijn rol en betrokkenheid, waarop namens [H] inhoudelijk is gereageerd. Na deze reactie is eenmaal telefo-nisch contact geweest met de curatoren.
6.26 De cCuratoren betwisten dat zij [H] lichtvaardig in rechte hebben betrokken en voeren hiertoe aan dat zij pas op z’n vroegst eind juni 2001 ontdekten dat onder meer [H] (schuldeisers van) AHC heeft benadeeld. Negen maanden hierna hebben de curatoren [H] een sommatiebrief gezonden. De raadsman van [H] heeft daarop gereageerd bij brief van 10 april 2002. Precies een half jaar daarna hebben cu-ratoren [H] gedagvaard. Dit tijdsverloop kan volgens de curatoren niet als niet voortvarend beschouwd worden. Voorts betwisten de curatoren dat het verweer van [H] van dien aard is dat dit zonder meer – en op voorhand – zou moeten leiden tot afwijzing van de vordering. De door [H] aangevoerde gronden kunnen de con-clusie dat sprake is van misbruik van recht, niet dragen. Daarvoor stelt [H] te weinig. Weliswaar worden de vorderingen van de curatoren tegen [H] afgewezen, toch kan niet worden gesteld dat de curatoren [H] lichtvaardig in rechte hebben betrokken. De reconventionele vordering van [H] zal dan ook worden afgewezen.
6.27 Als de in het ongelijk te stellen partij, zal [H] in de kosten van de procedure in reconventie worden veroordeeld.
7. Beslissing
De rechtbank:
in conventie:
7.1 Wijst de vorderingen af.
7.2 Veroordeelt de curatoren in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van gedaagden sub 1 en 2 begroot op € 3.632,- aan verschotten en € 11.072,- aan salaris voor de procureur.
7.3 Veroordeelt de curatoren in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van gedaagden sub 3 begroot op € 870,- aan verschotten en € 5.536,-2.768,- aan salaris voor de procureur.
7.4 Veroordeelt de curatoren in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van gedaagde sub 4 begroot op € 870,- aan verschotten en € 11.072,- aan salaris voor de procureur.
7.5 Veroordeelt de curatoren in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van gedaagde sub 5 begroot op € 870,- aan verschotten en € 11.072,- aan salaris voor de procureur.
7.6 Veroordeelt de curatoren in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van gedaagde sub 6 begroot op € 870,- aan verschotten en € 11.072,- aan salaris voor de procureur.
7.7 Veroordeelt de curatoren in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van gedaagde sub 7 begroot op € 870,- aan verschotten en € 11.072,- aan salaris voor de procureur.
7.8 Verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
in reconventie:
7.9 Wijst de vorderingen af.
7.10 Veroordeelt [H] in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van de curatoren begroot op € 780,- aan salaris voor de procureur.
7.11 Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer, voorzitter, en mrs. M.S.F. Voskens en D.H. Steenmetser-Bakker, leden van deze kamer, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 14 juli 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.