ECLI:NL:RBHAA:2004:AR3315
Rechtbank Haarlem
- Kort geding
- A.J. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Ontslag statutair directeur en arbeidsrechtelijke gevolgen bij neerlegging bestuurdersfunctie
Eiser trad in 1986 in dienst bij een stichting en werd in 1998 statutair directeur van een BV waarin researchactiviteiten werden ondergebracht. In februari 2004 werd eiser door de algemene vergadering van aandeelhouders ontslagen als statutair directeur, maar dit ontslag werd door eiser betwist vanwege procedurele onregelmatigheden.
Eiser nam vervolgens per brief van zijn raadsman op 28 april 2004 ontslag als bestuurder met instandhouding van de arbeidsrelatie. De BV besloot daarop op 11 mei 2004 tot ontslag op staande voet van eiser wegens disfunctioneren en oneigenlijk handelen, waaronder het maken van privé-uitgaven ten laste van de BV.
Eiser vorderde loonbetaling over de periode 1 april tot en met 20 juni 2004, stellende dat het ontslag op staande voet nietig was wegens het ontbreken van toestemming van de CWI en het ontbreken van een dringende reden. De rechtbank oordeelde dat het neerleggen van de functie als bestuurder niet leidt tot een arbeidsverhouding die de toestemming van de CWI vereist voor ontslag. Tevens werd het ontslag op staande voet als rechtsgeldig aangemerkt vanwege de gedragingen van eiser.
De loonvordering werd afgewezen omdat het bestaan van de vordering onvoldoende aannemelijk was en eiser schadeplichtig was geworden door zijn handelen. De rechtbank veroordeelde eiser in de proceskosten.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet van eiser wordt als rechtsgeldig beschouwd en zijn loonvordering wordt afgewezen.