ECLI:NL:RBHAA:2004:AR6988

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
26 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
97554/2004
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:207 BWArt. 3 RvArt. 6 lid 1 Wet Conflictenrecht Afstamming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap wegens erkenning

De vrouw verzocht de rechtbank om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man over hun minderjarige kind. De man stemde hiermee in, mede vanwege de culturele achtergrond van de vrouw en het belang dat het kind de Nederlandse nationaliteit en zijn geslachtsnaam verkrijgt. De zaak had een internationaal karakter doordat de vrouw de Marokkaanse en de man de Nederlandse nationaliteit bezit.

De rechtbank stelde vast dat de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, waardoor de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. De bijzonder curator en de Officier van Justitie onderschreven het belang van de vaststelling van het vaderschap voor het kind. Echter, op grond van artikel 1:207 lid 2 sub a BW Pro kan gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet plaatsvinden indien het kind al twee ouders heeft.

Omdat de man het kind reeds heeft erkend, is er sprake van twee ouders, waardoor het verzoek niet kan worden toegewezen. De rechtbank wees het verzoek daarom af. De procedure verliep met betrokkenheid van een bijzonder curator en diverse schriftelijke stukken, en de beschikking werd in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt afgewezen omdat het kind reeds twee ouders heeft door erkenning.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Zaaknummer : [nummer]
Datum beschikking: [datum]
Gerechtelijke vaststelling vaderschap
BESCHIKKING ENKELVOUDIGE KAMER VOOR FAMILIEZAKEN
in de zaak van:
[naam vrouw],
wonende te [woonplaats]
hierna mede te noemen: de vrouw,
procureur: mr. S. Rozemeijer,
--tegen--
[naam man],
wonende te [woonplaats],
hierna mede te noemen: de man.
1 Verloop van de procedure
1.1 Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:
- het op [datum] ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw;
- de op [datum] ontvangen brief met bijlage van de procureur van de vrouw;
- de op [datum] ontvangen referteverklaring / akte van instemming van de man;
- de op [datum] ontvangen brief van de bijzonder curator,
mr. S.I. van der Staal;
- de op [datum] ontvangen conclusie van de Officier van Justitie;
- de op [datum] ontvangen brief van mr. S.I. van der Staal, voornoemd;
- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op [datum].
2 De vaststaande feiten.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken:
2.1 Partijen hebben een affectieve relatie, uit welke relatie op [datum] te [plaats] is geboren het thans nog minderjarige kind:
- [naam minderjarige].
De man heeft het kind op [datum] erkend.
2.2 Bij beschikking van deze rechtbank van [datum] is mr. S.I. van der Staal, advocaat te Haarlem, tot bijzonder curator over de minderjarige benoemd.
3 Het verzoek en de grondslag daarvan
3.1 Het verzoek van de vrouw strekt tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man over de minderjarige voornoemd.
3.2 De vrouw heeft haar verzoek gebaseerd op de stelling dat de man als haar levensgezel heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg heeft gehad.
Daarnaast stelt de vrouw dat het in het belang van de minderjarige is dat het vaderschap wordt vastgesteld zodat het kind in familierechtelijke betrekkingen met de man zal komen te staan, zijn geslachtsnaam en zijn nationaliteit – de Nederlandse – zal verkrijgen.
De vrouw voert daartoe aan dat het verzoek recht doet aan de feitelijke gezinssituatie, waarin sprake is van een niet-erkend huwelijk, waartoe bovendien nog een ander minderjarig kind behoort dat als gevolg van de erkenning door de man wel de geslachtsnaam [naam] en de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De vrouw voert voorts aan dat de man en zij in de veronderstelling waren dat [naam] als gevolg van de erkenning ook de Nederlandse nationaliteit zou verkrijgen, maar dat hen na de geboorte van de minderjarige is gebleken dat de nationaliteitsrechtelijke gevolgen van de erkenning per 1 april 2003 zijn gewijzigd.
4 Het verweer
De man heeft een referteverklaring overgelegd en heeft ter zitting verklaard in te stemmen met de verzochte gerechtelijke vaststelling van zijn vaderschap over [naam minderjarige]. De man stelt dat het gelet op de culturele achtergrond van de vrouw van belang is dat [naam minderjarige] zijn geslachtsnaam en Nederlandse nationaliteit verkrijgt. Hij voert daartoe aan dat de minderjarige niet de Marokkaanse nationaliteit kan bezitten nu op grond van de Marokkaanse wet, kinderen geboren uit een Marokkaanse moeder alleen de Marokkaanse nationaliteit verkrijgen als de vader van dit kind niet bekend is.
5 Beoordeling van het verzoek.
5.1 Door de omstandigheid dat de vrouw de Marokkaanse nationaliteit bezit en de man de Nederlandse nationaliteit bezit, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag beantwoord dient te worden of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Deze vraag wordt op grond van artikel 3 Rv Pro. in bevestigende zin beantwoord nu uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht voldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
5.2 Vervolgens komt de vraag aan de orde welk recht van toepassing is op het verzoek.
Op grond van artikel 6 lid 1 Wet Pro Conflictenrecht Afstamming, in werking getreden op
1 mei 2003 en van toepassing op rechtsbetrekkingen die na haar inwerkingtreding worden vastgesteld of gewijzigd, is, bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit van de man en de moeder van het kind, Nederlands recht van toepassing als het recht van de staat van hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats.
5.3 De bijzonder curator heeft in de op [datum] ter griffie ontvangen brief verklaard dat vaststelling van het vaderschap door de man over [naam minderjarige] in het belang van de minderjarige moet wordt geacht.
5.4 De conclusie van de Officier van Justitie strekt tot toewijzing van het verzoek.
5.5 Gezien het bepaalde in artikel 1:207 lid 2 sub a BW Pro kan gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet geschieden indien het kind twee ouders heeft. Nu in het onderhavige geval ten gevolge van de erkenning door de man, deze situatie zich thans voordoet, kan het vaderschap niet gerechtelijk worden vastgesteld.
5.6 Gelet op het hiervoor overwogene zal het verzoek worden afgewezen.
6 Beslissing:
De rechtbank:
Wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Stefels en in het openbaar uit-gesproken ter terechtzitting van [datum], in tegenwoor-digheid van de griffier.