ECLI:NL:RBHAA:2004:AR8632
Rechtbank Haarlem
- Raadkamer
- R.E.A. Toeter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing voorlopige hechtenis na veroordeling voor samenhangende feiten
Verdachte werd in voorlopige hechtenis genomen op verdenking van opzetheling van een personenauto. Tijdens de terechtzitting wijzigde de officier van justitie de tenlastelegging, waarbij het primaire feit diefstal in vereniging betrof en subsidiair opzetheling. De politierechter veroordeelde verdachte onherroepelijk voor diefstal en legde een gevangenisstraf op die de duur van de voorlopige hechtenis aanzienlijk overschrijdt.
De raadsman verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis, stellende dat deze niet langer gerechtvaardigd was omdat de voorlopige hechtenis was bevolen voor het subsidiaire feit. De rechtbank oordeelde dat het primaire en subsidiaire feit materieel hetzelfde zijn, namelijk de opzettelijke wederrechtelijke toeëigening van dezelfde auto in dezelfde periode.
De rechtbank stelde vast dat de voorlopige hechtenis niet is opgeheven door de politierechter en dat de gronden voor voorlopige hechtenis onverkort aanwezig zijn. Tevens werd een vordering van de officier van justitie tot uitbreiding van de voorlopige hechtenis afgewezen wegens strijd met artikel 67b, derde lid Sv.
De rechtbank concludeerde dat de officier van justitie niet verplicht is tot invrijheidstelling zolang een bevel tot gevangenhouding van kracht is en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd die de duur van de voorlopige hechtenis overschrijdt. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen omdat de opgelegde straf en het bevel tot gevangenhouding de voorlopige hechtenis rechtvaardigen.