ECLI:NL:RBHAA:2005:AU7023
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.G. Kemmers
- A.A. Fase
- H.A. Tulp
- Rechtspraak.nl
Uitleg belastingverdrag Nederland-Duitsland inzake heffingsrecht piloot
Eiser, woonachtig in Nederland en werkzaam als piloot bij een Duits bedrijf, ontving in 2001 inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid die deels in Duitsland werden belast. De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 10, derde lid, tweede volzin, van het Verdrag tussen Nederland en Duitsland ter voorkoming van dubbele belasting. Eiser stelde dat Nederland geen heffingsrecht heeft over het deel van de inkomsten dat Duitsland niet belast, terwijl verweerder dit anders zag.
De rechtbank overwoog dat het heffingsrecht in beginsel exclusief aan de werkstaat (Duitsland) is toegewezen, tenzij deze het inkomen geheel niet belast. De Duitse forfaitaire heffing op werkzaamheden binnen Duits grondgebied betekent dat Duitsland het heffingsrecht uitoefent, ook al wordt niet over het gehele inkomen daadwerkelijk belasting geheven. De rechtbank verwierp de uitleg van verweerder dat Nederland heffingsrecht zou hebben over het deel dat Duitsland niet belast.
De rechtbank stelde vast dat Nederland het gehele bedrag van de inkomsten moet meenemen bij de berekening van de in mindering te brengen belasting conform artikel 20, derde lid, van het Verdrag. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en het bedrag aan vrij te stellen buitenlands inkomen vastgesteld op € 29.847. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat Duitsland het heffingsrecht heeft en stelt het vrij te stellen buitenlandse inkomen vast op € 29.847.