ECLI:NL:RBHAA:2005:AU8617
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap wegens nationaliteitsregeling
De vrouw verzocht de rechtbank om het vaderschap van de man over haar minderjarige zoon gerechtelijk vast te stellen, met het oog op het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit voor het kind. Het kind was na de geboorte erkend door de man, maar door een wetswijziging verkrijgt een kind dat na geboorte wordt erkend niet automatisch de Nederlandse nationaliteit.
De rechtbank stelde vast dat de vrouw de Marokkaanse nationaliteit bezit en de man de Nederlandse, waardoor de zaak een internationaal karakter heeft. De Nederlandse rechter is bevoegd omdat de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Het verzoek was tijdig ingediend binnen de wettelijke termijn.
De bijzonder curator vond dat het belang van het kind bij toewijzing van het verzoek lag, gezien de onduidelijkheid over de verblijfsstatus van het kind. De Officier van Justitie onthield zich van een conclusie vanwege onvoldoende bewijs over het vaderschap. De rechtbank oordeelde dat het vaderschap door erkenning vaststaat en dat de wettelijke regeling niet zo ruim mag worden geïnterpreteerd dat het verzoek kan worden toegewezen om het nationaliteitsbelang te dienen.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af. De uitspraak benadrukt dat de afstammingsregeling niet bedoeld is om nationaliteitsproblemen op te lossen en dat de wetswijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit door postnatale erkenning heeft beperkt.
Uitkomst: Verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt afgewezen omdat het vaderschap reeds door erkenning vaststaat en de nationaliteitsregeling geen grond biedt voor toewijzing.