ECLI:NL:RBHAA:2005:AZ0762

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
6 december 2005
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/3460
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 lid 3 Wet IB 2001Art. 6.16 onderdeel b Wet IB 2001Art. 6.19 lid 1 Wet IB 2001Art. 8:75 AwbAfdeling 8.2.6 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aftrekbare uitgaven voor hulp bij opbaring en begrafenis van overleden dochter

Eiser heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting voor 2003 uitgaven opgevoerd die hij deed in verband met het overlijden van zijn dochter, waaronder een bedrag van €1.021 voor geschenken aan personen die hielpen bij de opbaring in het ouderlijk huis. Verweerder corrigeerde deze uitgaven deels en wees de aftrek af.

De rechtbank stelt vast dat de uitgaven rechtstreeks verband houden met het overlijden en de begrafenis, aangezien de hulp van familie en vrienden onmisbaar was voor de ontvangst van bezoekers. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij zich moreel verplicht voelde deze uitgaven te doen, ook al was hij daartoe niet verplicht.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert het belastbare inkomen met €1.021. Tevens veroordeelt zij verweerder in de proceskosten van eiser.

Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam of beroep in cassatie bij de Hoge Raad.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert het belastbare inkomen met €1.021 wegens aftrekbare uitgaven voor hulp bij de opbaring.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Registratienummer: AWB 05/3460
Uitspraakdatum: 6 december 2005
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
X, wonende te Z, eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst P,
verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Met dagtekening 3 mei 2005 heeft verweerder aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 2003 berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.777. Na daartegen gemaakt bezwaar, bij verweerder binnengekomen op 14 juni 2005, heeft verweerder bij uitspraak van 7 juli 2005 de aanslag gehandhaafd.
Van eiser is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 27 juli 2005. Het beroep is gericht tegen opgemelde uitspraak van verweerder. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2005. Aldaar zijn namens eiser verschenen zijn echtgenote en zijn dochter, tot bijstand vergezeld van A. Namens verweerder is verschenen B.
2. De feiten
2.1. Op (...) 2003 is de dochter van eiser, C, bij een verkeers-ongeval om het leven gekomen. Zij is 19 jaar oud geworden.
2.2. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 2003 berekent eiser de uitgaven die hij in verband met het overlijden van zijn dochter heeft gedaan op € 12.757. Hierin is begrepen een bedrag van € 1.021 dat betrekking heeft op het geven van geschenken aan personen die eiser en zijn familie bij de opbaring van C in haar ouderlijk huis hebben geholpen en/of bijgestaan.
2.3. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder de in de aangifte opgevoerde uitgaven wegens het overlijden van eisers dochter gecorrigeerd met € 6.021, bestaande uit de hiervoor genoemde uitgaven voor geschenken, alsmede in verband met een ontvangen uitkering van € 5.000. De correctie van laatstgenoemd bedrag is niet in geschil.
3. Het geschil
In geschil is of het onder 2.2 genoemde bedrag van € 1.021 kan worden beschouwd als uitgave wegens het overlijden in de zin van artikel 6.16, onderdeel b, juncto artikel 6.19, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Voorts is in geschil of eiser zich redelijkerwijs gedrongen heeft gevoeld de uitgave te doen (artikel 6.1, lid 3, Wet IB 2001).
4. Beoordeling van het geschil
4.1. Artikel 6.19, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001, bepaalt dat als uitgaven wegens overlijden onder meer worden aangemerkt de uitgaven die rechtstreeks verband houden met het overlijden, de begrafenis of crematie.
4.2. Verweerder stelt dat het rechtstreekse verband tussen de door eiser gedane uitgaven en het overlijden van de dochter ontbreekt. Ter zitting heeft hij zich daarnaast - voor het eerst - op het standpunt gesteld dat de uitgaven niet op eiser gedrukt hebben, omdat hij niet verplicht was ze te doen.
4.3. Ter zitting heeft de echtgenote van eiser verklaard dat eiser en zij er bewust voor hebben gekozen C in haar ouderlijk huis te laten opbaren. Ze woonde namelijk nog thuis. Bovendien bood dit de mogelijkheid bezoekers te ontvangen op alle uren van de dag. C is in de nacht van zaterdag op zondag overleden en gedurende de dinsdag daarop tot en met zaterdag, de dag van de begrafenis, hebben velen haar bezocht. Met de ontvangst van ongeveer 600 mensen heeft een aantal personen geholpen. Een aantal van hen was continu aanwezig, andere kwamen ’s ochtend om bijvoorbeeld koffie te zetten en broodjes te smeren en gingen dan in de loop van de dag weer weg. Het gezin X was zeer geholpen met deze spontaan geboden hulp. Zonder die hulp was het hen niet gelukt de vele mensen op een fatsoenlijke wijze te ontvangen. Zij waren daartoe zelf niet of nauwelijks in staat. Als dank voor de inzet moesten zij iets terug doen. Dit kwam uit het hart en uit respect voor C. Kort na de begrafenis hebben zij vier personen een medaillon met gravure gegeven als aandenken aan C. Deze personen hadden de familie dag en nacht bijgestaan. De kosten daarvoor bedroegen circa € 220 per persoon. Aan een aantal andere personen die in mindere mate hadden geholpen hebben zij een cadeaubon gegeven.
4.4. Buiten twijfel staat dat eiser de uitgaven niet had gedaan als zijn dochter niet was overleden. Namens eiser is ter zitting onweersproken gesteld dat de uitgaven in verband met de opbaring zijn gedaan, dat zij direct na afloop van de begrafenis zijn gedaan en dat alleen die personen die de familie het meest hebben geholpen met de ontvangst van de vele belangstellenden een stoffelijke blijk van waardering hebben ontvangen. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat het voor de aftrek vereiste rechtstreekse verband hier aanwezig is.
Voorts is de rechtbank van oordeel, gelet op de onder 4.3 genoemde verklaringen van eisers echtgenote die verweerder niet althans onvoldoende heeft betwist, dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij een dringende morele verplichting voelde de uitgaven te doen, ook al was hij daartoe niet verplicht. Dit betekent dat tevens voldaan is aan de voorwaarde van artikel 6.1, lid 3, Wet IB 2001. Het beroep van eiser is derhalve gegrond. Nu geen verschil van mening bestaat over de hoogte van de uitgaven zal de rechtbank het belastbare inkomen uit werk en woning verminderen met € 1.021 tot € 26.756.
5. Proceskosten
Nu het beroep gegrond is acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van de onderhavige procedure gesteld op € 10, bestaande uit de (geschatte) reiskosten per openbaar vervoer 2e klasse van eisers echtgenote en voormelde A om de zitting van 23 november 2005 bij te wonen. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
6. Beslissing
De rechtbank:
? verklaart het beroep gegrond;
? vernietigt de uitspraak op bezwaar;
? vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.756;
? veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 10 en wijst de Staat aan dit bedrag aan eiser te voldoen;
? gelast de Staat het door eiser betaalde griffierecht van € 37 te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J. Snitker. De beslissing is op 6 december 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. O. Nijhuis, griffier.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:
- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam; dan wel
- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.
N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.
Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.
Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.