ECLI:NL:RBHAA:2005:BA1745
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Omgangsregeling grootouders met kleinkinderen na verbreking ouderrelatie
In deze zaak verzoeken grootouders om een omgangsregeling met hun twee kleinkinderen na het beëindigen van de relatie tussen de moeder en hun zoon, de vader van de kinderen. De rechtbank beoordeelt of er sprake is van een zodanige nauwe persoonlijke betrekking (family life) tussen de grootouders en de kinderen dat zij ontvankelijk zijn in hun verzoek.
De rechtbank oordeelt dat er voldoende concrete omstandigheden zijn voor het bestaan van family life tussen de grootouders en het eerste kleinkind, ondanks het feit dat er sinds 2003 geen contact meer is geweest. Voor het tweede kleinkind is dit niet vastgesteld, waardoor het verzoek voor hem wordt afgewezen.
De moeder voert verweer dat het contact niet in het belang van de kinderen is en dat de grootouders de vader niet buiten de omgang kunnen houden. De rechtbank stelt echter dat het belang van het kind voorop staat en dat het contact met de familie van vaderszijde belangrijk is voor de ontwikkeling van het kind.
De omgangsregeling wordt vastgesteld op een frequentie van eens in de drie weken, beginnend met één uur in aanwezigheid van de moeder en na zes maanden uitgebreid naar twee uur, al dan niet in aanwezigheid van de moeder. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank stelt een omgangsregeling vast tussen de grootouders en het eerste kleinkind en verklaart het verzoek voor het tweede kleinkind niet-ontvankelijk.