ECLI:NL:RBHAA:2006:AV3402
Rechtbank Haarlem
- Kort geding
- F.M. Visser
- Rechtspraak.nl
Toewijzing loonvordering werknemer na opschorting arbeidsverplichting wegens niet-betaling
De werknemer trad op 1 april 2004 in dienst bij de werkgever met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, verlengd tot 1 april 2006. Vanaf januari 2005 ontving de werknemer geen loon meer, waarna hij zijn werkzaamheden opschortte. De werkgever stelde dat de werknemer op 19 juli 2005 op staande voet was ontslagen wegens een incident, hetgeen door de werknemer werd betwist en de nietigheid van het ontslag werd ingeroepen.
De kantonrechter oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat het ontslag stand zou houden en dat de werkgever gehouden bleef het loon door te betalen tot het einde van het contract. De opschorting van de arbeidsverplichting door de werknemer werd gerechtvaardigd geacht omdat de werkgever acht maanden geen loon betaalde.
De contante betaling in april 2005 werd niet erkend als loonbetaling over de periode vanaf januari 2005. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het loon vanaf 1 januari 2005 tot 1 april 2006, inclusief vakantiebijslag en wettelijke rente, en tot het verstrekken van salarisspecificaties. De gevorderde wettelijke verhoging en overige vergoedingen werden afgewezen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot doorbetaling loon vanaf januari 2005 tot einde contract en verstrekking loonspecificaties.