ECLI:NL:RBHAA:2006:AV6350

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
7 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB-04-1991
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 Monumentenverordening Zaanstad 1996Artikel 12 Monumentenverordening Zaanstad 1996Artikel 1 Algemeen Mandaatbesluit ZaanstadArtikel 7 lid 2 organisatieverordening ZaanstadArtikel 18 organisatieverordening Zaanstad
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanwijzing pand als beschermd gemeentelijk monument ondanks bezwaar kerk

Bij besluit van 25 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad een pand aangewezen als beschermd gemeentelijk monument en op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. De Nederlands Gereformeerde Kerk maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de kerk beroep in bij de rechtbank Haarlem.

De rechtbank beoordeelde onder meer de bevoegdheid van de directeur die het besluit nam, het advies van de monumentencommissie, het overleg met de eigenaar en de monumentwaardigheid van het pand. Er werd vastgesteld dat het besluit rechtsgeldig en bevoegd was genomen, dat het advies van de monumentencommissie correct was ingewonnen en dat er overleg met de eigenaar had plaatsgevonden conform de Monumentenverordening Zaanstad 1996.

De stelling van de kerk dat verweerder willekeurig zou hebben gehandeld door afwijkende maatstaven te hanteren dan andere gemeenten, werd verworpen. Ook de vrees voor waardedaling en belemmering van godsdienstuitoefening door de aanwijzing werd niet als een wezenlijk belang erkend. De rechtbank concludeerde dat het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanwijzing van het pand als beschermd gemeentelijk monument wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

reg. nr: Awb 04 - 1991
uitspraakdatum: 7 maart 2006
RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht
enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in de zaak van:
de Nederlands Gereformeerde Kerk,
gevestigd te Zaandam,
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde],
-- tegen --
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,
verweerder,
gemachtigde: J.I. Jarmoc.
1. Ontstaan en loop van het geding
Bij besluit van 25 november 2003 heeft verweerder besloten het pand [adres] te [plaats] aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument en op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.
Tegen dit besluit heeft de kerkenraad van de Nederlands Gereformeerde kerk namens eiseres bij brief van 24 december 2003 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 3 december 2004, aangevuld bij brief van 23 december 2004, beroep ingesteld.
Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van 29 maart 2005, alwaar namens eiseres zijn verschenen gemachtigde voornoemd en [gemachtigde]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde voornoemd, bijgestaan door ir. J.D.W. Koudijs. Voorts was aanwezig [derde], werkzaam bij Kuijs Reinder Kakes te Zaandam.
Bij beslissing van 19 april 2005 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. In dit kader is verweerder verzocht te reageren op door eiseres bij brief van 14 maart 2005 ingediende contra-expertise. Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 1 juni 2005, en heeft daarin aangegeven de stukken van eiseres te hebben voorgelegd aan de Monumentencommissie van de Gemeente Zaanstad.
De rechtbank heeft met toestemming van partijen als bedoeld in artikel 8:57 Awb Pro afgezien van een nadere zitting.
2. Overwegingen
2.1. Artikel 3 van Pro de Monumentenverordening Zaanstad 1996 (hierna: de Verordening) luidt als volgt:
1. Burgemeester en wethouders kunnen, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een onroerend monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.
2. Voordat burgemeester en wethouder over de aanwijzing een besluit nemen, vragen zij advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.
3. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de aanwijzing van een onroerend monument als beschermd gemeentelijk monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht.
4. Voordat burgemeester en wethouders een kerkelijk monument aanwijzen, voeren zij overleg met de eigenaar.
5. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van Pro de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van de Monumentenverordening van de provincie Noord-Holland.
2.2. Artikel 1 van Pro het Algemeen Mandaatbesluit Zaanstad luidt - voor zover hier relevant - als volgt: De secretaris en de directeuren wordt onder de hierna onder artikel 5 genoemde Pro voorwaarden mandaat verleend tot het afdoen van alle zaken die verband houden met en voortvloeien uit de verantwoordelijkheid die zij ingevolge artikel 7, tweede lid, in samenhang met artikel 18, van de organisatieverordening Zaanstad dragen voor het dagelijks beheer van het organisatorisch onderdeel van het ambtelijk apparaat van Zaanstad aan het hoofd waarvan zij staan.
2.3. De rechtbank overweegt allereerst dat het bestreden besluit genomen is door de directeur van de afdeling Wonen, Monumenten en Bestemmingsplannen, welke valt onder de dienst Wijken. Het plaatsingsbesluit kan, gelet op het van toepassing zijnde Algemeen Mandaatbesluit Zaanstad, in mandaat namens het college van burgemeester en wethouders worden genomen. Ook in casu is het besluit in mandaat en dus bevoegd genomen door de directeur van de afdeling die met het onderwerp is belast. Desbetreffende grief van eiseres treft derhalve geen doel.
2.4. Voorts oordeelt de rechtbank dat uit de Besluitnota van 19 maart 2003 met het bijbehorende verslag van de vergadering van de monumentencommissie van 22 januari 2003 blijkt dat er sprake is geweest van een advies dat voorafgaand aan het besluit tot plaatsing is uitgebracht. De vorm van het advies, te weten een verslag van genoemde vergadering, maakt dit oordeel niet anders. Hiermee kan desbetreffende grief van eiseres evenmin doel treffen.
2.5. De rechtbank oordeelt voorts dat er geen grond is te twijfelen aan de gang van zaken als omschreven in het verslag van de hoorzitting van de ambtelijke commissie van 10 juni 2004. In dit verslag wordt ten aanzien van de vraag of er overleg met de eigenaren heeft plaatsgevonden, als volgt opgemerkt:
"Voorts stelt [X] dat (...). Op 20 mei 2003 heeft overleg met de eigenaren plaatsgevonden. In dit overleg is aangegeven wat de consequenties van een eventuele plaatsing zouden zijn. Dit overleg wordt gevoerd om te voorkomen dat, volgens artikel 12 van Pro de Monumentenverordening, wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding raken door plaatsing van een kerkelijk gebouw op de monumentenlijst. Hiervan is echter geen sprake, daar de bescherming zich richt tot het casco en niet op het interieur."
2.6. De rechtbank ziet geen grond in het oordeel dat er geen overleg zou hebben plaatsgevonden, nu uit dit verslag niet blijkt dat eiseres het geciteerde ontkent.
2.7. Met betrekking tot de monumentwaardigheid van het pand is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de vaststelling van de monumentale betekenis van het pand geen blijk heeft gegeven van onjuiste feiten of gegevens te zijn uitgegaan dan wel daarbij, bezien in het licht van de Monumentenwet 1988, een onjuiste maatstaf te hebben aangelegd. Verweerder heeft zijn besluit in overeenstemming met artikel 3 van Pro de Monumentenverordening eerst genomen na advies te hebben ingewonnen bij de Monumentencommissie, die positief was, ook na kennisname van de door eiseres op 14 maart 2005 ingediende contra-expertise. Niet valt in te zien waarom verweerder het advies van de Monumentencommissie niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen, in aanmerking genomen dat eiseres noch de juistheid van de besluitvorming noch de monumentwaardigheid genoegzaam onderbouwd heeft weerlegd.
2.8. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat verweerder willekeurig zou hebben gehandeld aangezien andere gemeenten andere maatstaven ten grondslag leggen aan beoordeling voor plaatsing op de monumentenlijst, oordeelt de rechtbank dat deze stelling niet tot gegrond verklaring van het beroep kan leiden, omdat verweerder, gezien de Verordening, een eigen bevoegdheid heeft om te bepalen welk pand op de monumentenlijst wordt geplaatst en hij daarbij niet de maatstaven van andere gemeenten behoeft te volgen.
2.9. Evenmin kan hetgeen eiseres stelt over de verwachte waardedaling van het pand door aanwijzing van het pand als monument tot het oordeel van de rechtbank leiden dat er wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn door toedoen van de aanwijzing van het pand als beschermd gemeentelijk monument en door plaatsing van het pand op de gemeentelijke monumentenlijst. Een bemoeilijking of zelfs belemmering van een fusie kan niet worden beschouwd als een wezenlijk belang van de godsdienstuitoefening in het monument als bedoeld in artikel 12 van Pro de Verordening.
2.10. Uit het vorenstaande volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.
2.11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Polak, rechter van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Poggemeier, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2006.
Afschrift verzonden op:
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.