ECLI:NL:RBHAA:2006:AX1155
Rechtbank Haarlem
- Kort geding
- F.M. Visser
- Rechtspraak.nl
Ontslagverbod tijdens ziekte en bedrijfseconomische beëindiging van onderneming
De werkneemster trad in mei 2001 in dienst bij H.E.M. Hotels & Restaurants B.V. en werd in 2005 arbeidsongeschikt door ziekte. Nadat de inlener geen gebruik meer wilde maken van haar diensten, vroeg de werkgever een ontslagvergunning aan bij het CWI, die werd verleend vanwege bedrijfseconomische omstandigheden en beëindiging van de werkzaamheden.
De werkneemster stelde dat het ontslag nietig was vanwege het opzegverbod tijdens ziekte (art. 7:670 BW Pro), maar de werkgever voerde aan dat het ontslag gerechtvaardigd was door het beëindigen van de onderneming (art. 7:670b lid 2 BW). De kantonrechter stelde vast dat de onderneming feitelijk was beëindigd nadat de enige werknemer niet langer werd uitgeleend.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslagrechtelijk opzegverbod tijdens ziekte niet van toepassing was vanwege de uitzonderingsbepaling voor beëindiging van de onderneming. De primaire vordering tot nietigverklaring van het ontslag en loonbetaling werd afgewezen. Ook de subsidiaire vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag kon in deze spoedprocedure niet worden toegewezen en werd verwezen naar een bodemprocedure.
Uitkomst: De vordering tot nietigverklaring van het ontslag wordt afgewezen omdat het ontslag is gerechtvaardigd door beëindiging van de onderneming.