ECLI:NL:RBHAA:2006:AY3286
Rechtbank Haarlem
- Kort geding
- F.J.P. Veenhof
- Rechtspraak.nl
Weigering voorlopige voorziening bij ontslag op staande voet wegens vermeende diefstal
De werknemer trad sinds 13 februari 2002 in dienst bij Bremer’s Houthandel als verkoper. Op 21 april 2006 werd hij beschuldigd van het verduisteren van €50,00 uit de kas. De werkgever stelde dat een collega getuige was van de daad en dat er een kastekort was vastgesteld. De werknemer ontkende de diefstal en stelde dat het geld een fooi was.
Op 24 april 2006 kreeg de werknemer ontslag op staande voet, wat hij betwistte en waarvan hij de nietigheid inriep. De werkgever deed aangifte van verduistering en kreeg later toestemming om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De werknemer vorderde loonbetaling en wedertewerkstelling als voorlopige voorziening.
De kantonrechter oordeelde dat de werkgever voldoende feiten en omstandigheden had gesteld om aannemelijk te maken dat zij in de bodemprocedure in het bewijs zou kunnen slagen. Ook was het ontslag naar voorlopig oordeel onverwijld meegedeeld, ondanks het weekend tussen melding en ontslagbrief.
Daarom werd de voorlopige voorziening geweigerd en de werknemer veroordeeld in de proceskosten. De zaak benadrukt het belang van voldoende bewijs en tijdige communicatie bij ontslag op staande voet.
Uitkomst: De gevraagde voorlopige voorziening tot loonbetaling en wedertewerkstelling werd geweigerd en het ontslag op staande voet voorlopig bevestigd.