ECLI:NL:RBHAA:2006:AY6576
Rechtbank Haarlem
- Voorlopige voorziening
- A.C.M. Rutten
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij intrekking bijstandsuitkering wegens onduidelijk bestedingspatroon en hoofdverblijf
Verzoekster ontvangt sinds 2001 bijstand. Na een heronderzoek in 2005 startte verweerder een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering vanwege een onduidelijk bestedingspatroon en onduidelijkheid over het hoofdverblijf. Verweerder constateerde minimale kasopnamen en betalingen, terwijl het autogebruik relatief hoog was. Verzoekster werd gevraagd aanvullende informatie te verstrekken, maar verweerder vond de verstrekte verklaringen tegenstrijdig en onvoldoende.
Verweerder trok daarom de uitkering met terugwerkende kracht in op grond van artikel 54 lid 4 WWB Pro. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster weliswaar medewerking had verleend, maar dat de verstrekte informatie onvoldoende was om het recht op bijstand vast te stellen. Er waren tegenstrijdige verklaringen over het bestedingspatroon, financiering en gebruik van de auto, en het hoofdverblijf was onduidelijk.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de intrekking op grond van artikel 54 lid 4 WWB Pro niet gerechtvaardigd was, maar dat verweerder op andere gronden het besluit waarschijnlijk kan handhaven. Gezien de omstandigheden was er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.