ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ1859
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.J.P. Veenhof
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vorderingen wegens faillissement en onverschuldigde betaling huur bedrijfsruimte
Drie eisers vorderden betaling van onverschuldigd betaalde huur voor bedrijfsruimte. De vennootschap EBB, een van de eisers, was failliet verklaard en de curator had de onderhuurovereenkomst opgezegd. De kantonrechter oordeelde dat EBB niet-ontvankelijk was omdat zij niet meer bestond na het faillissement en geen akkoord was aangeboden bij de verificatievergadering, waardoor de boedel insolvent was verklaard.
De tweede eiser trad op als bestuurder en aandeelhouder van EBB, maar ook hij werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de vennootschap was opgehouden te bestaan. De derde eiser, die in persoon dezelfde was als de tweede, had zelf geen betaling verricht en zijn vordering werd daarom afgewezen.
De kantonrechter stelde dat het feit dat alle schuldeisers 100% waren voldaan niet afdoet aan de insolventie van de boedel. De vordering tot terugbetaling van huur was gebaseerd op een huurovereenkomst die door EBB was opgezegd en de curator had betaald. Daarom kon geen eigen vordering van de aandeelhouder worden aangenomen.
De kantonrechter veroordeelde de eisers in de proceskosten en wees verdere inhoudelijke behandeling af omdat dit geen ander oordeel zou opleveren.
Uitkomst: Eisers worden niet-ontvankelijk verklaard en de vordering wordt afgewezen; zij worden veroordeeld in de proceskosten.