ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ4128

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
28 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
123814/06-1375
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:157 BWArt. II lid 1 WLAArt. II lid 2 WLA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlenging van alimentatietermijn na inwerkingtreding Wet Limitering Alimentatie

De rechtbank Haarlem behandelde het verzoek van een vrouw om de termijn van haar alimentatie-uitkering te verlengen met twaalf jaar, omdat de oorspronkelijke beschikking dateert van vóór de inwerkingtreding van de Wet Limitering Alimentatie (WLA) op 1 juli 1994.

De vrouw stelde dat beëindiging van de alimentatie na twaalf jaar onredelijk zou zijn en beriep zich op artikel 1:157 BW Pro. De man betwistte het verzoek en stelde dat de alimentatieplicht nog niet was geëindigd volgens de overgangsbepalingen van de WLA.

De rechtbank oordeelde dat de WLA alleen van toepassing is op alimentatieverplichtingen die na 1 juli 1994 zijn toegekend of overeengekomen. Omdat de beschikking dateert van vóór die datum, is artikel 1:157 BW Pro niet van toepassing als grondslag voor het verzoek. De alimentatieplicht eindigt daardoor niet per 26 april 2006, en de vrouw heeft geen belang bij verlenging van de termijn.

Daarom wees de rechtbank het verzoek af en verklaarde zij dat de primair gevraagde verklaring voor recht niet kan worden toegewezen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer op 28 november 2006.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn wordt afgewezen omdat de alimentatieplicht nog niet is geëindigd volgens de Wet Limitering Alimentatie.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector Familie- en Jeugdrecht
alimentatie
zaak-/rekestnr.: 123814/06-1375
beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken d.d. 28 november 2006
in de zaak van:
[naam vrouw],
wonende te [woonplaats],
hierna mede te noemen: de vrouw,
procureur mr. R.F. Meijer,
advocaat mr. J.H. Oosterveen,
-- tegen --
[naam man],
wonende te [woonplaats],
hierna mede te noemen: de man,
procureur mr. E.M. Sol.
1. De loop van het geding
Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar:
- het op 26 april 2006 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift van de vrouw met bijlagen;
- het op 23 juni 2006 ingekomen verweerschrift van de man met bijlagen;
- de op 12 september 2006 ontvangen aanvullende stukken van de vrouw;
- het verhandelde ter terechtzitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank op 20 september 2006 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun raadslieden;
- de dagbepalingsbeschikking van deze rechtbank d.d. 24 oktober 2006;
- het verhandelde ter terechtzitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank op 1 november 2006 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun raadslieden.
2. De feiten en omstandigheden
Uit de stukken en bij het verhoor van partijen is onder meer het volgende gebleken.
Partijen zijn in 1978 met elkaar gehuwd, welk huwelijk in 1994 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank d.d. 26 april 1994.
Bij deze beschikking is onder meer bepaald dat de man een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw zal betalen van f 6.000,-- (€ 2.722,68) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de dag dat de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De bijdrage bedraagt thans in verband met de wettelijke indexering € 3.605,72 per maand.
3. Het verzoek
3.1 Met als grondslag dat in 2006 twaalf jaar verstreken zijn sinds de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, verzoekt de vrouw te bepalen dat de termijn, zoals bedoeld in artikel 1:157, lid 4, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) na 29 juli 2006 zal worden verlengd met een termijn van twaalf jaar, derhalve tot 2018.
3.2 De vrouw voert daartoe aan dat beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.
4. Het verweer
De man heeft het verzoek gemotiveerd bestreden. Hij verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek althans dit verzoek af te wijzen.
5. Beoordeling van het verzoek
5.1 Na de behandeling ter zitting door de enkelvoudige kamer op 20 september 2006 is de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Van de zijde van de vrouw is bij de voortgezette behandeling primair aangevoerd, dat de overgangsbepalingen van de Wet limitering alimentatie meebrengen dat de alimentatieverplichting nog voortduurt. Zij verzoekt thans, in aanvulling op haar eerdere verzoek, primair voor recht te verklaren dat artikel 1:157 BW Pro, zoals dit geldt sinds 1 juli 1994, geen toepassing vindt en het verzoek af te wijzen, aangezien dit niet op de wet is gegrond. Subsidiair handhaaft zij haar verzoek.
5.2 Ingevolge de wet van 28 april 1994, Stb. 324-325 (Kamerstukken 19 295 en 22170, Wet limitering alimentatie – hierna: WLA) in werking getreden op 1 juli 1994, zijn grenzen gesteld aan de duur van de alimentatieplicht.
Met het oog op de positie van de oudere onderhoudsgerechtigden en degenen die gedurende zeer lange tijd een uitkering tot levensonderhoud hebben verstrekt, is een overgangsregeling vastgesteld.
Het in het onderhavige geval van belang zijnde artikel II, lid 1 en lid 2, WLA luidt:
“ - 1. Deze wet is alléén van toepassing op de uitkeringen tot levensonderhoud die na de inwerkingtreding van deze wet door de rechter zijn toegekend of tussen partijen zijn overeengekomen.”
- 2. Op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, beëindigt de rechter deze verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. (...) Het bepaalde in de eerste volzin kan niet tot gevolg hebben dat de uitkering eindigt binnen drie jaren na inwerkingtreding van deze wet.”
In de Parlementaire Geschiedenis is omtrent het eerste lid het volgende opgemerkt:
“Het nieuw voorgestelde eerste lid van voornoemd artikel II strekt ertoe om de nieuwe limiteringsregeling alleen van toepassing te doen zijn op de uitkeringen tot levensonderhoud die na de inwerkingtreding van wetsvoorstel 19 295 door de rechter zijn toegekend of tussen partijen zijn overeengekomen. De vraag of in gevallen waarin voor de inwerkingtreding van de wet een onderhoudsbijdrage is opgelegd of overeengekomen, gelimiteerd zou moeten worden, staat, tenzij partijen zelf in hun echtscheidingsconvenant reeds een limiteringstermijn hadden opgenomen, geheel ter beoordeling van de rechter, die zich daarbij zal laten leiden door de huidige wettelijke regeling en de daarop gebaseerde jurisprudentie.”
5.3 De rechtbank stelt vast dat haar beschikking van 26 april 1994, waarin de hoogte van de uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw wordt bepaald, dateert van vóór de in werkingtreding van de WLA. Dit betekent dat ingevolge artikel II, lid 1, WLA het bepaalde in artikel 1:157, lid 4 en lid 5, BW, zoals dit met ingang van 1 juli 1994 is komen te luiden, niet als grondslag voor het verzoek kan dienen. Omdat zulks medebrengt dat de alimentatieplicht van de man op voet van artikel II, lid 2, WLA niet eindigt per 26 april 2006, mist de vrouw belang bij toewijzing van het thans als subsidiair aangemerkte verzoek om verlenging van de alimentatie-termijn. Evenzeer ontbeert de vrouw in het licht van het vorenoverwogene belang bij de thans primair gevraagde verklaring voor recht.
De slotsom is dat de rechtbank het verzochte zal afwijzen.
6. Beslissing
De rechtbank:
6.1 Wijst het verzoek af
Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. de Vos, lid van deze kamer, voorzitter en mrs. R.M. Flohil en A. Stefels en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 28 november 2006, in tegenwoordigheid van mr. M. Geschiere als griffier.
Bij ontstentenis van de griffier Bij ontstentenis van mr. A.E. de Vos
getekend door I. Rijs getekend door mr. R.M. Flohil