ECLI:NL:RBHAA:2006:BB3515
Rechtbank Haarlem
- Raadkamer
- Van Dijk
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring verzoek tot opheffing conservatoir beslag wegens vermoeden witwassen
Op 10 juli 2006 diende klaagster een verzoekschrift in tot opheffing van conservatoir beslag dat sinds 13 oktober 2005 op haar was gelegd. Het beslag betrof vorderingen van betrokkene op klaagster ter hoogte van €650.727,27. Betrokkene was veroordeeld tot een gevangenisstraf en geldboete wegens onder meer medeplegen van drugshandel, deelname aan een criminele organisatie en witwassen.
De rechtbank stelde vast dat de vorderingen van betrokkene op klaagster direct of indirect afkomstig zijn van gelden gegenereerd uit misdrijven waarvan betrokkene wordt verdacht. Er waren voldoende aanwijzingen dat de vorderingen waren ontstaan met het doel criminele gelden een legale status te geven en de uitwinning daarvan te frustreren. Klaagster was mede-eigenaar en bestuurder van de vennootschap, zodat van haar kennis van deze omstandigheden moest worden uitgegaan.
Klaagster voerde aan dat het beslag haar bedrijfsvoering ernstig belemmert en de verkoop van de vennootschap verhindert. Desondanks oordeelde de rechtbank dat het belang van de strafvordering zwaarder weegt dan het verzoek tot opheffing van het beslag.
De rechtbank verklaarde het verzoek tot opheffing van het conservatoir beslag ongegrond en handhaafde het beslag op de vorderingen van betrokkene op klaagster en op alle gelden die klaagster onder zich heeft of zal krijgen uit hoofde van de bestaande rechtsverhouding.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het conservatoir beslag wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.