ECLI:NL:RBHAA:2006:BB5169
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken bewijs cocaïne-invoer en partiële nietigheid dagvaarding
Verdachte werd primair ten laste gelegd dat zij betrokken was bij het binnenbrengen van ongeveer 375 gram cocaïne in Nederland, en subsidiair dat zij voorbereidingshandelingen verrichtte gericht op het plegen van een dergelijk misdrijf. De rechtbank constateerde dat de dagvaarding partieel nietig was omdat een essentiële zin ontbrak, waardoor onduidelijk was of sprake was van poging of voltooid delict.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om te concluderen dat de voorbereidingshandelingen van verdachte gericht waren op de invoer van cocaïne. Het dossier bevatte geen officieel laboratoriumrapport dat bevestigde dat het aangetroffen materiaal daadwerkelijk cocaïne betrof. Veldtesten waren onvoldoende en er ontbraken verklaringen of afgeluisterde gesprekken die het bestaan van cocaïne bevestigden.
Daarom werd verdachte vrijgesproken van het subsidiaire tenlastegelegde feit. De rechtbank sprak tevens de partiële nietigheid van de dagvaarding uit ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit. Verdachte was niet verschenen, maar werd vertegenwoordigd door haar raadsman. De rechtbank verklaarde zichzelf bevoegd en het openbaar ministerie ontvankelijk.
De officier van justitie had een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 134 voorwaardelijk, en een werkstraf van 240 uur gevorderd. De rechtbank wees deze vorderingen af wegens gebrek aan bewijs. Het vonnis werd uitgesproken op 27 december 2006 door een meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en de dagvaarding is partieel nietig verklaard.