ECLI:NL:RBHAA:2007:BA2928
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering tot opheffing conservatoir beslag wegens onvoldoende zwaarwegend belang
In deze civiele procedure vordert eiseres dat de rechtbank verklaart dat gedaagde toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een koopovereenkomst betreffende een woonhuis, met een vordering tot schadevergoeding en vermindering van de koopsom. Gedaagde heeft in een incident op grond van artikel 223 Rv Pro gevorderd dat het conservatoir beslag dat eiseres op een kwaliteitsrekening van de notaris heeft gelegd, wordt opgeheven.
De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van beslag de Hoge Raad heeft bepaald dat het beslag moet worden opgeheven indien summierlijk blijkt dat de vordering ondeugdelijk is, waarbij ook de belangen van partijen moeten worden afgewogen. Hoewel gedaagde stelt dat de vordering ondeugdelijk is en hij spoedeisend belang heeft bij opheffing van het beslag, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet kansloos is en dat het belang van eiseres bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van gedaagde.
De rechtbank wijst daarom de incidentele vordering van gedaagde af, veroordeelt hem in de proceskosten van het incident en beveelt een comparitie om de hoofdzaak verder te behandelen, waarbij ook mediation en een minnelijke regeling aan de orde kunnen komen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de incidentele vordering tot opheffing van het conservatoir beslag af en veroordeelt gedaagde in de kosten van het incident.