ECLI:NL:RBHAA:2007:BB3505
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.J.P. Veenhof
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag na beëindiging garagebedrijf
Werknemer was sinds 1982 in dienst bij een familiegaragebedrijf dat in 2006 werd gesloten wegens bedrijfseconomische redenen. De werkgever vroeg en verkreeg toestemming van het CWI voor opzegging van de arbeidsovereenkomst. Werknemer vorderde een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, stellende dat de bedrijfsvoering door de bedrijfsleider onvoldoende was en dat geen afvloeiingsregeling was getroffen.
De kantonrechter oordeelde dat het CWI het besluit tot beëindiging van de bedrijfsactiviteiten niet op onredelijke gronden had genomen en dat er geen sprake was van een voorgewende of valse reden. Ook het gevolgencijfer van het ontslag was niet kennelijk onredelijk, mede omdat werknemer snel ander werk vond en geen inkomensverlies leed.
De enkele omstandigheid dat geen afvloeiingsregeling was getroffen, maakte het ontslag niet kennelijk onredelijk. De kantonrechter concludeerde dat de belangen van werkgever bij het ontslag zwaarder wogen dan de gevolgen voor werknemer. De vordering werd afgewezen en werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag wordt afgewezen.