ECLI:NL:RBHAA:2007:BC2562
Rechtbank Haarlem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opheffing uithuisplaatsing pasgeboren kind in kort geding
De ouders vorderden in kort geding dat de Raad voor de Kinderbescherming werd bevolen hun pasgeboren kind terug te geven of het kind bij een familielid te plaatsen, met een dwangsom voor het geval de Raad niet zou voldoen. De Raad had op 25 oktober 2007 zonder voorafgaand ouderverhoor een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van het kind uitgesproken. De ouders stelden dat zij eerst gehoord hadden moeten worden en dat de uithuisplaatsing onrechtmatig was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisendheidsverweer faalde, maar dat gezien het wettelijke stelsel en de mogelijkheid tot hoger beroep tegen de beschikking, de zaak bij de kinderrechter kon worden afgewacht. Het wettelijke kader staat toe dat de kinderrechter zonder voorafgaand ouderverhoor maatregelen kan treffen als er onmiddellijk ernstig gevaar is, en dat de beschikking na twee weken rechtskracht verliest tenzij de ouders gehoord zijn.
De rechter vond geen aanwijzingen dat de Raad zich had laten leiden door andere motieven dan haar wettelijke taak en dat het rapport ter onderbouwing van de maatregel toereikend was. De vordering tot opheffing van de uithuisplaatsing werd afgewezen en de ouders werden veroordeeld in de proceskosten. De rechter benadrukte dat het vertrouwen van de ouders in de instanties begrijpelijk maar dat een zorgvuldige afweging en behandeling door de kinderrechter spoedig zou volgen.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van de uithuisplaatsing van het pasgeboren kind wordt afgewezen.