ECLI:NL:RBHAA:2007:BC2853
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verdeling nalatenschap met bepaling erfdeel en waardering onroerende zaken
In deze civiele zaak staat de verdeling van een nalatenschap centraal tussen twee dochters en een zoon die allen erfgenamen zijn. De zoon is benoemd tot erfgenaam voor een erfdeel gelijk aan zijn legitieme portie, waarbij de dochters stelden dat de zoon aanzienlijke voordelen heeft genoten die op zijn erfdeel ingekort moeten worden. De rechtbank verwierp dit standpunt omdat erflater in zijn testamenten een vrijstelling van inbreng heeft opgenomen die niet is herroepen.
De zaak omvatte ook een deskundigenonderzoek naar de waarde van de aan de zoon toegedeelde onroerende zaken in verpachte staat. De deskundige stelde een waarde vast die door partijen deels werd betwist, onder meer over de waardering van opstallen en de toepassing van meerwaardeclausules. De rechtbank volgde het deskundigenadvies en verwierp de bezwaren van partijen, onder meer omdat de investeringen en opstallen door de zoon zelf waren gedaan en de meerwaardeclausule ook op de stolp en het perceel van toepassing was.
Verder werd de procedure aangehouden om partijen gelegenheid te geven hun stellingen over verrekeningen en overige boedelbestanddelen nader te onderbouwen. De rechtbank bepaalde dat de kosten van de nalatenschap naar rato van erfdeel gedragen worden en dat de zoon recht heeft op inzage in relevante financiële stukken, zonder dat dit zijn verplichting tot kostenbijdrage beïnvloedt.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de dochters af en bevestigt de waardering en verdeling van de nalatenschap conform het testament.