ECLI:NL:RBHAA:2007:BC3837
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen tijdsevenredige berekening van AOW-premie bij pensionering in kalenderjaar
Eiser, die in augustus 2005 65 jaar werd en vanaf die maand AOW-uitkering ontving, betwistte de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2005. Hij stelde dat hij geen AOW-premie verschuldigd was over inkomsten na zijn pensionering, omdat hij vanaf 1 augustus 2005 niet meer premieplichtig zou zijn.
De inspecteur hanteerde echter een gemiddeld premiepercentage van 25,14% over het gehele jaar, wat volgens eiser leidde tot een te hoge premieheffing. De rechtbank onderzocht de wettelijke bepalingen van de Wet financiering volksverzekeringen (WFV) en de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen.
Hoewel artikel 10 WFV Pro bepaalt dat vanaf de maand van pensionering geen AOW-premie verschuldigd is, kent de WFV geen regeling voor tijdsevenredige berekening van premiepercentages binnen een kalenderjaar. De Uitvoeringsregeling voorziet in een tijdsevenredige vaststelling, maar de Hoge Raad heeft bevestigd dat deze regeling niet in strijd is met de WFV. De rechtbank concludeerde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een vereenvoudigd systeem met een gemiddeld premiepercentage over het jaar.
Daarom is het door de inspecteur toegepaste premiepercentage correct en wordt het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank veroordeelde eiser niet tot proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat het gehanteerde premiepercentage correct is toegepast.