ECLI:NL:RBHAA:2007:BC4726
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.J. Robert
- H.J.M. Burg
- C. Hummel
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen voor harddrugs wegens onvoldoende bewijs bewustzijn verdachte
Op 13 juni 2007 werden op Schiphol in koffers van verdachte en zijn medeverdachte grote hoeveelheden paracetamol, cafeïne en fenacetine aangetroffen, stoffen die als versnijdingsmiddelen voor heroïne en cocaïne worden gebruikt. Het NFI-rapport bevestigde dat deze stoffen vaak als versnijdingsmiddelen op de illegale drugsmarkt voorkomen.
Verdachte verklaarde dat hij door een onbekende man was gevraagd voedingssupplementen naar Spanje te vervoeren, en dat hem was verteld dat de zakjes geen drugs bevatten. Ondanks dat verdachte de stoffen proefde om te controleren of het drugs waren, oordeelde de rechtbank dat verdachte niet bewezen bewust was van het feit dat het om versnijdingsmiddelen ging.
De rechtbank overwoog dat hoewel verdachte redenen had om te vermoeden dat het om illegale stoffen ging, er geen concrete aanwijzingen waren dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om versnijdingsmiddelen voor heroïne of cocaïne ging. Hierdoor werd verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet bewezen is dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij versnijdingsmiddelen voor heroïne of cocaïne vervoerde.