ECLI:NL:RBHAA:2007:BD1596

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
8 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
15/800704-07
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens invoer van ruim 1 kilogram cocaïne als drugskoerier

Op 16 juni 2007 is verdachte met het vliegtuig vanuit Aruba op Schiphol aangekomen, waarbij hij bolletjes met cocaïne had ingeslikt. Verdachte bekende dit tijdens de terechtzitting. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte opzettelijk 1049,20 gram cocaïne het Nederlandse grondgebied heeft binnengebracht, een hoeveelheid die bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel.

De bewijsmiddelen bestonden uit de verklaring van verdachte, proces-verbalen van aanhouding en onderzoek, en een deskundigenrapport van het Douane Laboratorium. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, lager dan de geëiste twaalf maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werden diverse aan verdachte toebehorende reisdocumenten verbeurd verklaard omdat deze bij het plegen van het feit waren gebruikt.

De verdediging voerde aan dat verdachte een eerste keer was en vanwege een arbeidsongeschiktheid in Spanje onder financiële druk stond, maar de rechtbank vond dat verdachte al snel na zijn blessure had besloten tot drugssmokkel en onvoldoende pogingen had gedaan om op andere wijze inkomsten te verkrijgen. De straf werd opgelegd conform de Schipholrichtlijnen die gelden voor dit soort zaken.

De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden en bepaalde dat de tijd in voorarrest op de straf in mindering wordt gebracht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf en verbeurdverklaring van reisdocumenten wegens invoer van ruim 1 kilogram cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector Strafrecht
Locatie Schiphol
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/800704-07
Uitspraakdatum: 8 oktober 2007
Tegenspraak
Strafvonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 september 2007 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] (Spanje),
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans gedetineerd in PI Midden Holland, HvB Haarlem.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 16 juni 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne, althans een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Bewijs
3.1 Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat
hij op 16 juni 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
3.2 Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot deze bewezenverklaring op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank, nu verdachte het ten laste gelegde heeft bekend, volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen.
1.
de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:
Op 16 juni 2007 ben ik met het vliegtuig vanuit Aruba op Schiphol aangekomen. Ik had tevoren bolletjes met cocaïne geslikt.
2.
het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding en bevindingen (dossierparagraaf 1.1);
3.
het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen (dossierparagraaf 1.1.4);
4.
het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 29 juni 2007, pagina 2 onder ONDERZOEK VERDOVENDE MIDDELEN (dossierparagraaf 0.2).
5.
het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium van de Belastingdienst d.d. 25 juni 2007.
4. Strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.
5. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen
6.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en verbeurdverklaring van de nummers 2, 3, 4 en 5 zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
6.2 Hoofdstraf
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1049.20 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.
De raadsman heeft aangevoerd dat zijn cliënt een “first offender” is, dat hij tijdens zijn werk in de bouw in Spanje zijn been heeft geblesseerd, dat hij sindsdien erg veel pijn heeft aan zijn been, dat hij hierdoor niet meer kon werken, dat banen voor personen met een handicap in Spanje niet voor het oprapen liggen en dat zijn cliënt ten gevolge hiervan bang was dat hij uit zijn huis zou worden gezet omdat hij de huur niet kon betalen. Daarnaast voert hij aan dat detentie zijn cliënt onevenredig zwaar treft door de pijn aan zijn been.
In de persoonlijke omstandigheden zoals door de raadsman aangevoerd ziet de rechtbank evenwel geen aanleiding af te wijken van de straf die in dit soortgelijke gevallen wordt opgelegd. Hierbij heeft de rechtbank mee laten wegen het feit dat verdachte al twee weken na het ontstaan van de blessure aan zijn voet, het plan heeft opgevat om drugs te gaan smokkelen. Gelet op deze korte termijn, komt het de rechtbank voor dat verdachte niet serieus heeft getracht om op andere wijze inkomsten te genereren.
Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist. De door de rechtbank aan verdachte op te leggen straf is overeenkomstig de straf die zij ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt op te leggen. De rechtbank heeft hierbij als uitgangspunten de zogeheten Schipholrichtlijnen gehanteerd.
6.3 Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een KLM e-ticket, een KLM instapkaart, een reisschema en een notitie en memo dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
33, 33a van het Wetboek van Strafrecht.
2, 10 van de Opiumwet.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN (9) MAANDEN.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd:
-1.00 stk vliegticket, KLM e-ticket 074 2470619289;
-1.00 stk instapkaart KLM, KLM 074 2470619289;
-1.00 stk diverse, reisschema 074 2470619289;
-2.00 stk notitie en memo, 1x met nl tel nr 1x met bankrek.nr, naam en adres.
9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.J.M. Burg, voorzitter,
mr. W.C.J. Robert en mr. C. Hummel, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.J. Giling,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2007.