ECLI:NL:RBHAA:2008:BC3143

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
29 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
138644-07-2974
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.G. Kok
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot gezamenlijk gezag over voorhuwelijkse minderjarige

De man verzocht de rechtbank om gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind te verkrijgen, dat vóór het huwelijk was geboren. Hij stelde dat er geen bezwaren waren omdat hij reeds gezamenlijk gezag had over het tijdens het huwelijk geboren tweede kind.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 1:251 BW Pro ouders tijdens het huwelijk gezamenlijk gezag uitoefenen over hun kinderen, ook indien het kind vóór het huwelijk is geboren. Dit gezamenlijk gezag blijft ook na ontbinding van het huwelijk in stand.

Gezien deze wettelijke regeling en de feitelijke situatie oordeelde de rechtbank dat de man reeds gezamenlijk gezag heeft over het voorhuwelijkse kind en dat hij geen belang heeft bij het verzoek. Daarom werd hij niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot gezamenlijk gezag over het voorhuwelijkse kind.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector Familie- en Jeugdrecht
gezagswijziging
zaak-/rekestnr.: 138644/07-2974
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 29 januari 2008
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
hierna mede te noemen: de man,
procureur: mr. M.A. Kanning,
--tegen--
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
hierna mede te noemen: de vrouw.
1 Verloop van de procedure
Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar:
- het op 5 september 2007 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift met bijlagen van de man;
- het verhandelde ter terechtzitting op 26 november 2007 in aanwezigheid van de man, bijgestaan door zijn raadsvrouwe, de vrouw en mevrouw [naam] (werkzaam als gezinsvoogdes bij Bureau Jeugdzorg Noord-Holland).
2 De vaststaande feiten
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken:
2.1 Partijen hebben enige tijd een relatie gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] de minderjarige [kind 1] en op [geboortedatum] de minderjarige [kind 2] geboren. De vader heeft [kind 1] erkend.
3 Het verzoek en de grondslag daarvan
3.1 Het verzoek van de man strekt tot wijziging van het gezag over de minderjarige [kind 1], in die zin dat hij gezamenlijk met de vrouw met het gezag wordt belast.
3.2 De man heeft zijn verzoek gebaseerd op de stelling dat er geen bezwaren bestaan om het gezag over [kind 1] te verkrijgen nu hij reeds samen met de vrouw het gezag heeft over de minderjarige [kind 2].
4 Het verweer
De vrouw heeft het verzoek gemotiveerd bestreden.
5 Beoordeling van het verzoek
5.1 Ter zitting is gebleken dat partijen op [datum huwelijk] met elkaar zijn gehuwd, welk huwelijk is ontbonden door de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum]. [kind 2] is tijdens het huwelijk van partijen geboren en partijen zijn na de ontbinding van het huwelijk gezamenlijk met het gezag over hem belast gebleven. [kind 1] is vóór het huwelijk van partijen geboren, waardoor partijen ervan uit zijn gegaan dat alleen de vrouw met het gezag over haar is belast.
5.2 Gelet op het navolgende is de rechtbank echter van oordeel dat beide ouders reeds thans gezamenlijk met het gezag over [kind 1] zijn belast.
Tot 1 april 1998 verkreeg de man die voor het huwelijk met de vrouw een kind had erkend door wettiging van rechtswege het gezamenlijk gezag over dat kind, ondanks het feit dat het kind niet tijdens het huwelijk was geboren. Vanwege het vervallen van de wettiging per 1 april 1998 kan de vraag rijzen of er ten aanzien van [kind 1] door het huwelijk van partijen gezamenlijk gezag van de man en de vrouw is ontstaan. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Bij de wet van 6 april 1995, Stb. 240, inzake de nadere regeling van het gezag en van de omgang met minderjarige kinderen, in werking getreden op 2 november 1995, is artikel 1:251 BW Pro in de wet opgenomen, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de ouders het gezag gedurende het huwelijk gezamenlijk uitoefenen. Hierbij wordt gedoeld op kinderen van hen beiden. Er is geen wettelijke bepaling die meebrengt dat deze regel niet geldt in gevallen waarin het huwelijk is gesloten na de geboorte van het kind. Ook uit de parlementaire geschiedenis van voormelde wet (zie o.a. Kamerstukken II 1992/93. 23 012, nr. 3 pagina 23 ) kan worden afgeleid dat de gezamenlijke gezagsuitoefening tijdens huwelijk eveneens geldt voor voorkinderen. Op grond van het bepaalde in het tweede lid van
artikel 1: 251 BW is ten aanzien van [kind 1] het gezamenlijk gezag na de ontbinding van het huwelijk van partijen in stand gebleven.
5.3 Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man geen belang heeft bij zijn verzoek en zal zij de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.
6 Beslissing
De rechtbank:
6.1 Verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Kok, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 29 januari 2008, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lurvink-Betlem als griffier.