ECLI:NL:RBHAA:2008:BC9328
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van dwang tot ontuchtige handelingen
Verdachte werd primair beschuldigd van het door geweld of bedreiging dwingen van het slachtoffer tot ontuchtige handelingen in de periode van september 2005 tot oktober 2006 in Haarlem, Amsterdam of Zaanstad. Subsidiair werd hem ten laste gelegd dat hij ontuchtige handelingen met het slachtoffer heeft gepleegd terwijl het slachtoffer niet in staat was haar wil te bepalen vanwege een stoornis.
De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was, zij bevoegd was en het openbaar ministerie ontvankelijk was in de vervolging. Na onderzoek van het bewijs en het dossier concludeerde de rechtbank dat onvoldoende wettig bewijs aanwezig was om het primair en subsidiair ten laste gelegde feit bewezen te verklaren.
De gedragskundige verklaring bood onvoldoende bewijs dat het slachtoffer daadwerkelijk niet in staat was haar wil te bepalen. Daardoor kon niet worden uitgesloten dat de handelingen met instemming van het slachtoffer plaatsvonden. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van alle tenlasteleggingen.
Daarnaast werd een vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer afgewezen wegens de vrijspraak. De rechtbank gelastte tevens de teruggave van in beslag genomen goederen aan verdachte. De uitspraak werd gedaan op 11 april 2008 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van dwang tot ontuchtige handelingen.