ECLI:NL:RBHAA:2008:BF0204
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.M. Visser
- Rechtspraak.nl
Bewijsvereisten bij weigering werknemer overgang onderneming en salarisgeschil
In deze arbeidsrechtelijke procedure staat centraal of een arbeidsovereenkomst tussen partijen is overgegaan op de verkrijger van een onderneming en of de werknemer ondubbelzinnig heeft laten blijken niet mee te willen overgaan. De werknemer was sinds 1990 in dienst bij de oorspronkelijke werkgever en werd na een overgang van onderneming geconfronteerd met een salarisgeschil.
De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een overgang van onderneming conform artikel 7:662 lid 2 BW Pro. De werkgever betoogde dat de werknemer niet mee hoefde over te gaan omdat een deel van de onderneming was voortgezet en dat de werknemer dit ook ondubbelzinnig had geweigerd. Dit laatste is echter niet aannemelijk gemaakt, omdat een dergelijke verklaring slechts rechtsgeldig is indien de werknemer de gevolgen begrijpt en deze ondubbelzinnig aan de verkrijger kenbaar maakt.
De kantonrechter benadrukt dat het onvoldoende is dat de werknemer aan derden heeft laten weten niet mee te willen gaan, zonder dat een rechtsgeldige volmacht bestond om dit namens hem te verklaren. Ook een verklaring van de directeur van de oorspronkelijke werkgever namens de werknemer is onvoldoende gebleken. Daarom is de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig overgegaan en heeft de werknemer recht op het laatstgenoten salaris, met een aanpassing na 23 maart 2008.
De procedure wordt voortgezet met een comparitie ter bevordering van een schikking en nadere salarisvaststelling. Tussentijds hoger beroep wordt toegestaan vanwege het principiële karakter van het oordeel over de arbeidsovereenkomst.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is rechtsgeldig overgegaan en de werknemer heeft recht op salarisbetaling vanaf 16 april 2007.