3. Beoordeling
3.1 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.
3.2 De meervoudige strafkamer van deze rechtbank heeft in de hoofdzaak op verzoek van verdachte op de terechtzitting van 28 augustus 2008 een beslissing genomen op het primaire verzoek van verdachte het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, alsmede op diens subsidiaire verzoek omtrent het horen van de verbalisanten die betrokken zijn geweest bij de aanhouding van verdachte en twee anderen. In het proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting is hieromtrent onder meer het volgende opgenomen:
“De stelling van de raadsman dat alleen de verdachten [verzoeker], [verdachte]en [verdachte] zijn aangehouden, vindt geen steun in het dossier. Niet uitgesloten is dat er meer mensen zijn aangehouden van de betreffende vlucht. De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn omtrent onregelmatigheden, laat staan dat er stukken zijn achtergehouden door het openbaar ministerie. De rechtbank verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer en ziet geen reden tot het horen van de verbalisanten.”
3.3 De wrakingskamer merkt allereerst op dat de raadsman van verdachte de woorden van de rechtbank blijkens zijn initiële ter terechtzitting van de hoofdzaak gedane wrakingverzoek, zoals dat is weergegeven in het daarvan opgemaakte proces-verbaal, kennelijk onjuist heeft geïnterpreteerd. De rechtbank heeft immers slechts overwogen dat “niet uitgesloten is dat er meer mensen zijn aangehouden van de betreffende vlucht”. De stelling van de raadsman dat de rechtbank er van uit gaat dat er meerdere verdachten op de bewuste vlucht zaten, berust daarom op een onjuiste interpretatie van de woorden van de rechters.
3.4 Het enkele feit dat de beslissing op het verzoek van de raadsman het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren en op het daarmee samenhangende subsidiaire verzoek tot het – doen – horen van de betrokken verbalisanten negatief uitvalt, levert geen grond op voor wraking. In een dergelijk geval staat de weg van het instellen van hoger beroep bij het Gerechtshof open.
3.5 Het voorgaande voert tot de slotsom dat niet is gebleken dat de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, grond opleveren voor het oordeel dat het fungeren van de rechters in de hoofdzaak tot schade aan de rechterlijke onpartijdigheid zou kunnen leiden.
3.6 De aangevoerde feiten en omstandigheden vormen derhalve geen grond voor wraking.
3.7 De rechtbank zal het verzoek afwijzen.