ECLI:NL:RBHAA:2008:BO1010

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
3 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/5313, 06/5314 en 06/5315
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.M. van Amsterdam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 72 Wet MRBArt. 23 Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994Art. 76 Wet MRB
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting wegens strijd met artikel 76 Wet MRB

Eiser, een taxichauffeur met een Mercedes-Benz personenauto, kreeg naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting opgelegd over drie tijdvakken tussen 2000 en 2003, tezamen met vergrijpboetes van 100% van de nageheven bedragen. Deze aanslagen waren gebaseerd op een boekenonderzoek uit 2004 waarin werd geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat de auto geheel of nagenoeg geheel voor taxivervoer werd gebruikt.

De Wet MRB verleent vrijstelling voor motorrijtuigen die geheel of nagenoeg geheel voor taxivervoer worden gebruikt. Verweerder stelde dat de auto niet voor ten minste 90% voor taxivervoer werd ingezet en legde daarom naheffingsaanslagen op. De rechtbank oordeelde dat het controlerapport van 2 maart 2005 het moment is waarop het vermoeden definitief bekend werd gemaakt, en dat de naheffing zich daarom slechts kan uitstrekken over vier aaneengesloten tijdvakken van drie maanden, met het laatste tijdvak waarin het feit werd geconstateerd.

Omdat de naheffingsaanslagen betrekking hadden op een langere periode dan toegestaan, zijn deze in strijd met artikel 76, tweede lid, Wet MRB opgelegd. De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond en vernietigde de uitspraken, naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen. Er werd geen afzonderlijke proceskostenveroordeling uitgesproken vanwege eerdere kostenveroordelingen in samenhangende zaken.

Uitkomst: De naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen motorrijtuigenbelasting zijn vernietigd wegens strijd met artikel 76, tweede lid, Wet MRB.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummers: AWB 06/5313, 06/5314 en 06/5315
Uitspraakdatum: 3 juni 2008
Mondelinge uitspraak in het geding tussen:
X, wonende te Z, eiser,
en
de inspecteur te P, verweerder,
Zitting
Bij het onderzoek ter zitting van 20 mei 2008 te Haarlem zijn verschenen eiser, vergezeld van zijn gemachtigde A. Namens verweerder is verschenen B.
Geschilomschrijving
In geschil zijn de uitspraken op de bezwaarschriften tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting over de tijdvakken 8 september 2000 tot en met 16 januari 2001, 17 januari 2001 tot en met 16 januari 2002 en 17 januari 2002 tot en met 16 januari 2003 tot (respectievelijk) bedragen van € 595, € 1.602 en € 1.590.
Gelijktijdig met de naheffingsaanslagen zijn bij afzonderlijke beschikkingen vergrijpboetes opgelegd van 100% van de nageheven bedragen.
In de bestreden uitspraken zijn de bezwaren afgewezen.
Ter zitting zijn de zaken die bij de rechtbank geregistreerd zijn onder de procedurenummers AWB 06/5303 t/m 06/5315 gelijktijdig behandeld.
gronden:
1. Eiser is taxichauffeur en beschikt voor zijn onderneming (in de onderhavige periode gedreven in de vorm van een eenmanszaak) over een Mercedes-Benz personenauto.
2. Bij eiser is in 2004 een boekenonderzoek ingesteld. In het naar aanleiding van dit onderzoek op 2 maart 2005 uitgebrachte rapport is het standpunt ingenomen dat eiser met de door hem gehanteerde rittenstaten niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto geheel of nagenoeg geheel voor taxivervoer is gebruikt.
Op basis van de bevindingen van dit boekenonderzoek heeft verweerder de onderhavige naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd.
3. Op grond van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet MRB) wordt onder de naam ‘motorrijtuigenbelasting’ een belasting geheven ter zake van het houden van een personenauto.
In artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel n, van de Wet MRB jo. artikel 23, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Besluit) wordt vervolgens een vrijstelling verleend voor motorrijtuigen die zijn bestemd voor taxivervoer en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de auto niet geheel of nagenoeg geheel (dat wil zeggen voor ten minste 90%) voor taxivervoer is gebruikt.
Tegenover de betwisting door verweerder rust op eiser de last om aannemelijk te maken dat de auto geheel of nagenoeg geheel voor taxivervoer is gebruikt.
5. Op grond van artikel 76, eerste lid, van de Wet MRB kan, indien ten onrechte een vrijstelling is verleend of niet is voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden, de belasting worden nageheven. Het tweede lid van artikel 76 van Pro de Wet MRB bepaalt dat kan worden nageheven over een periode van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het in het eerste lid bedoelde feit wordt geconstateerd.
6. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval op 2 maart 2005 (zijnde de dag waarop het onder 2. genoemde controlerapport is uitgebracht) wordt geconstateerd dat niet aan de voorwaarden van vrijstelling wordt voldaan. Op dat moment maakte verweerder het bij hem gerezen vermoeden (definitief) bekend en verstrekte hij alle informatie waarop dit vermoeden was gebaseerd.
Dit tijdstip is gelegen in het laatste tijdvak waarover kan worden nageheven en is daarmee bepalend voor de totale periode van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden, waarover kan worden nageheven.
Anders dan verweerder meent kan de naheffing zich niet uitstrekken over een langere periode. Dat in het onderhavige geval wel vastgesteld had kunnen worden sinds wanneer te weinig motorrijtuigenbelasting zou zijn betaald doet - gelet op de duidelijke bewoordingen van artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB - hier niet aan af.
7. Op grond van het bovenstaande kan verweerder naheffen over een periode van vier tijdvakken van drie maanden, waarvan het laatste tijdvak eindigt eind maart 2005. Hieruit volgt dat de onderhavige naheffingsaanslagen in strijd met artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB zijn opgelegd. De beroepen zijn derhalve gegrond.
proceskosten:
Voor een afzonderlijke kostenveroordeling is in deze zaken geen plaats, gelet op de in de samenhangende zaken met procedurenummers 06/5305, 5306 en 5307 toegekende kostenveroordeling. De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat ter zake geen apart griffierecht is geheven.
beslissing:
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken van verweerder, de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen.
Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2008 en in het openbaar uitgesproken door
dr mr A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr S.A. Carter,griffier.
Afschrift verzonden aan partijen op:
De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.