ECLI:NL:RBHAA:2009:BH2634
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S. Sicking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering honorarium advocaat wegens niet-opeisbare vordering na intrekking toevoeging
In deze civiele zaak vordert eiser, een advocaat, betaling van zijn reguliere honorarium van gedaagde, eveneens advocaat, voor verleende werkzaamheden. Partijen waren overeengekomen dat het honorarium verschuldigd zou zijn indien de Raad voor Rechtsbijstand de verleende toevoeging na beëindiging van de zaak intrekt.
De Raad voor Rechtsbijstand had een voornemen tot intrekking van de toevoeging wegens het behalen van een financieel resultaat dat hoger is dan 50% van het heffingvrije vermogen. Echter, een definitief besluit tot intrekking was nog niet genomen, mede omdat de zaak was overgenomen door een andere advocaat en de beoordeling van het resultaat door een andere Raad zou worden gedaan.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking van de toevoeging niet definitief is en dat daardoor geen opeisbare vordering bestaat. De vordering van eiser wordt daarom afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van een definitief besluit van de Raad voor Rechtsbijstand voor het ontstaan van een opeisbare betalingsverplichting op basis van de overeenkomst tussen partijen.
Uitkomst: De vordering tot betaling van het honorarium wordt afgewezen wegens het ontbreken van een opeisbare vordering.