ECLI:NL:RBHAA:2009:BI2029
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot wijziging niet-wijzigingsbeding in echtscheidingsconvenant
Partijen zijn in 1995 gehuwd en in 2008 gescheiden. In het echtscheidingsconvenant is een niet-wijzigingsbeding opgenomen waarbij partijen afstand deden van alimentatie, tenzij sprake was van een ingrijpende wijziging van omstandigheden. De vrouw verzocht de rechtbank om wijziging van dit beding, omdat de man inmiddels werk had gevonden met een aanzienlijk hoger inkomen en was gaan samenwonen, waardoor zijn financiële situatie verbeterde.
De man voerde verweer dat de gewijzigde omstandigheden niet onvoorzien waren en dat hij bovendien een draagkrachtverweer had. De rechtbank onderzocht de financiële situatie van de man, waaronder zijn inkomen uit uitkering en dienstverband, hypotheeklasten, en ontslagvergoeding. Daarbij werd vastgesteld dat partijen bij het sluiten van het convenant rekening hielden met het vooruitzicht dat de man weer betaald werk zou vinden en mogelijk zou gaan samenwonen.
De rechtbank oordeelde dat de vrouw niet voldeed aan de zware stelplicht om aan te tonen dat sprake was van een volkomen wanverhouding en een onvoorziene ingrijpende wijziging. Ook werd meegewogen dat de vrouw de helft van de ontslagvergoeding had ontvangen. Daarom werd het verzoek tot wijziging van het niet-wijzigingsbeding afgewezen.
De rechtbank bepaalde dat elke partij de eigen proceskosten draagt, omdat niet kon worden gesteld dat de vrouw de procedure tegen beter weten in had ingesteld. De uitspraak werd gedaan op 7 april 2009 door rechter W. Veldhuijzen van Zanten.
Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van het niet-wijzigingsbeding in het echtscheidingsconvenant wordt afgewezen.