ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ1029
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing alimentatievordering meerderjarig kind voor periode minderjarigheid
De rechtbank Haarlem behandelde een zaak waarin een inmiddels meerderjarig kind een onderhoudsbijdrage van zijn moeder vorderde over de periode van zijn minderjarigheid. De zoon stelde dat hij in 2003 door zijn moeder en stiefvader uit huis was gezet en sindsdien zelf zijn levensonderhoud moest bekostigen, waarbij hij een tekort aan inkomen had en een bedrag van €15.838,64 vorderde.
De moeder voerde verweer door te stellen dat de wet niet voorziet in een rechtstreekse vordering van het kind gedurende zijn minderjarigheid en dat zij haar onderhoudsverplichting had willen nakomen door onderdak te bieden, wat de zoon geweigerd zou hebben. Ook stelde zij dat zij geen draagkracht had om in het levensonderhoud van de zoon te voorzien.
De rechtbank oordeelde, conform jurisprudentie van de Hoge Raad, dat een kind in uitzonderingsgevallen na meerderjarigheid aanspraak kan maken op onderhoud over de minderjarigheidsperiode, mits het voldoende belang heeft en dit concreet onderbouwt. De zoon slaagde er echter niet in zijn kosten en verplichtingen voldoende aan te tonen. De stukken toonden niet aan dat hij zelf kosten heeft moeten dragen voor verblijf en levensonderhoud.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af, zowel voor de periode van minderjarigheid als voor de periode na meerderjarigheid tot mei 2005, vanwege onvoldoende onderbouwing van de behoefte.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van onderhoudsbijdrage door de meerderjarige zoon voor de periode van zijn minderjarigheid wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.