1. [verweerder], 52 jaar oud, is sinds 12 juli 1983 bij [verzoekster] in dienst in de functie van calculator tegen een salaris van (laatstelijk) € 2.567,04 bruto per maand, exclusief vakantiegeld (en overige emolumenten).
2. Medio 1998 heeft de toenmalige directeur van [verzoekster], [YYY], [verweerder] berispt in verband met het door [verweerder] tijdens werktijd veelvuldig bellen van sekslijnen met de bedrijfstelefoon en hem een (mondelinge) waarschuwing gegeven dat herhaling van soortgelijk gedrag in de toekomst niet door [verzoekster] zou worden geaccepteerd. [verweerder] heeft destijds de door [verzoekster] geleden schade van NLG 4.951,33 aan [verzoekster] vergoed.
3. Op 8 februari 2006 heeft S. Pistoor, klinisch neuropsycholoog van het Kennemer Gasthuis, vastgesteld dat [verweerder] te kampen heeft met ernstige psychologische problemen.
4. Bij brief van 27 februari 2006 heeft [ZZZ], directeur van [verzoekster], onder meer het volgende aan [verweerder] medegedeeld:
“[verzoekster] wil je [...] ondersteunen en helpen je in je werk zo optimaal mogelijk te laten functioneren.”
5. Op 13 juni 2006 heeft de bedrijfsarts naar aanleiding van een door [verweerder] afgelegde psychologische test onder meer het volgende aan [verzoekster] gerapporteerd:
“Op zich is er op basis van de psychologische test goed aan te geven waar de oorzaak van de klachten en door hem ervaren spanningen en problemen liggen. [...] Het advies luidt, dat werknemer en werkgever een goede en open communicatie naar elkaar toe gaan oppakken [...].”.
6. Op 14 juli 2006 heeft [verzoekster] ter bevestiging van een gesprek met [verweerder] op 12 juli 2006 onder meer het volgende aan [verweerder] geschreven:
“Het gesprek eindigt dat [verzoekster] je alle hulp biedt om je functioneren te verbeteren.”
7. Op 20 april 2007 heeft [verzoekster] met [verweerder] gesproken over door [verweerder] ervaren (lichamelijke en geestelijke) problemen en de invloed daarvan op zijn functioneren. Bij brief van dezelfde datum heeft [verzoekster] onder meer het volgende aan [verweerder] geschreven:
“[verzoekster] biedt u aan u daarin te helpen, maar dat is niet nodig vindt u, omdat u daar zelf al mee bezig bent in de vorm van maatschappelijk werk.”
8. Tijdens de vakantie van [verweerder] in mei 2009 heeft [verzoekster] op de werkcomputer van [verweerder] zogenoemde ‘temporary internet files’ aangetroffen met verwijzingen naar bezoeken aan diverse dating- en pornosites. Diverse van deze sites bevatten afbeeldingen van expliciete seksuele handelingen met (onder andere) tienermeisjes.
9. Voorts heeft [verzoekster] op de persoonlijke harde schijf van de werkcomputer van [verweerder] een pornografische film aangetroffen, waarin een tienermeisje figureert.
10. [verzoekster] heeft [verweerder] na terugkomst van zijn vakantie op 4 juni 2009 met haar bevindingen geconfronteerd en hem op non actief gesteld.
11. Bij e-mailbericht van 21 augustus 2009 heeft de bedrijfsarts het volgende aan [verweerder] medegedeeld:
“Hierbij verklaar ik [...] dat u eind mei aansluitend op uw vakantie ten gevolge van ziekte gedeeltelijk arbeidsongeschikt was.”