ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ8164

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
9 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08 / 7620
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Brief over boerencamping voldoet niet aan criteria voor besluit in bestuursrecht

In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om de vraag of een brief van de gemeente Waterland, waarin wordt medegedeeld dat een boerencamping voldoet aan het bestemmingsplan, kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers hadden bezwaar gemaakt tegen deze brief en beroep ingesteld nadat het bezwaar ongegrond was verklaard.

De rechtbank stelt ambtshalve vast dat de brief een bestuurlijk rechtsoordeel betreft en volgens vaste jurisprudentie geen besluit is omdat het geen rechtsgevolg heeft. Ook de bezwaren van derden leiden niet tot het kwalificeren van de brief als besluit. De eisers kunnen hun geschil over de interpretatie van de regels via andere wegen, zoals een verzoek tot handhaving, aan de orde stellen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 30 oktober 2008 waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de gemeente in de proceskosten van eisers en de derde partij. Tevens wordt het griffierecht aan eisers vergoed.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit omdat de brief geen besluit is in de zin van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 08 - 7620
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2009
in de zaak van:
1. [naam eiser 1],
2. [naam eiser 2],
3. [naam eiser 3],
4. [naam eiser 4],
allen wonende te [woonplaats], gemeente [naam gemeente],
eisers,
gemachtigde: mr. G. Kramer, advocaat te Alkmaar,
tegen:
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waterland,
verweerder,
derde partij:
[naam derde partij],
wonende te [woonplaats], gemeente [naam gemeente],
gemachtigde: M. van Wijk, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau MW te Winterswijk.
1. Procesverloop
Bij brief van 6 mei 2008 heeft verweerder [derde partij] medegedeeld dat het exploiteren van een boerencamping op de locatie naast het agrarische bedrijf [adres] te [woonplaats] in overeenstemming is met de voorschriften van het bestemmingsplan.
Hiertegen hebben eisers bij brief van 16 juni 2008, aangevuld bij schrijven van 9 juli 2008, bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 30 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 8 december 2008, aangevuld bij schrijven van 3 februari 2009 en 24 mei 2009, beroep ingesteld.
Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 9 februari 2009 heeft [derde partij] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het beroep is behandeld ter zitting van 4 juni 2009, alwaar eisers in persoon zijn verschenen. Eiser [naam eiser 3] trad op als woordvoerder van eisers, bijgestaan door gemachtigde voornoemd en vergezeld van [naam deskundige], werkzaam bij bureau [naam bureau]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J. de Graaf, werkzaam bij de gemeente Waterland. Voorts is [derde partij] verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is een belangstellende verschenen.
2. Overwegingen
2.1 De rechtbank dient ambtshalve te vraag te beantwoorden of de brief van verweerder van 6 mei 2008 een besluit behelst, waartegen ingevolge de Algemene wet bestuursrecht in bezwaar en beroep kan worden gekomen. Daarbij is het volgende van belang.
2.2 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet onder een besluit worden verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2.3 Bij genoemde brief is medegedeeld dat de boerencamping van [derde partij] op de locatie, in de omvang en met de landschappelijke inpassing zoals aangegeven op de tekening van 28 maart 2008 en aangegeven in de daarop vermelde gegevens, voldoet aan het ter plaatse vigerende bestemmingsplan.
2.4 Een bestuurlijk rechtsoordeel als het onderhavige kan volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht omdat het geen rechtsgevolg in het leven roept en derhalve geen rechtshandeling inhoudt.
2.5 In uitzonderingssituaties moet echter ingevolge deze jurisprudentie een bestuurlijk rechtsoordeel, ondanks het ontbreken van een rechtsgevolg, als een besluit worden aangemerkt. Daarvoor is in elk geval vereist dat het voor betrokkene onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit, met name betreffende handhaving of vergunningverlening, bij de bestuursrechter aan de orde te stellen.
2.6 In het onderhavige geval doet zich deze situatie niet voor. De door [derde partij] beoogde activiteiten zijn volgens verweerder in overeenstemming met het bestemmingsplan. Er bestaat dan ook in zoverre geen aanleiding om - in afwijking van het systeem van de Algemene wet bestuursrecht - met het oog op de rechtsbescherming van [derde partij] de brief van 6 mei 2008 aan te merken als een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. De bezwaren van derden die, zoals eisers, zich niet met de visie van verweerder kunnen verenigen, kunnen er niet toe leiden dat (desondanks) tot het bestaan van appellabel besluit moet worden geconcludeerd. Voor deze derden staat immers ten allen tijde de weg open naar het doen van een verzoek tot handhaving aan verweerder.
2.7 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de bezwaren van eisers tegen de brief van 6 mei 2008 ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. De beslissing op deze bezwaren zal derhalve worden vernietigd.
2.8 Het beroep zal gegrond worden verklaard.
2.9 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op grond van het bepaalde in dit Besluit vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
De rechtbank acht geen termen aanwezig verweerder te veroordelen in de kosten van de door eisers naar de zitting meegenomen deskundige [naam deskundige].
Voorts ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid Awb te veroordelen in de door [derde partij] gemaakte proceskosten, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op grond van het bepaalde in dit Besluit vastgesteld op € 483,-- (0,5 punt voor de schriftelijke uiteenzettting en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1 verklaart het beroep gegrond;
3.2 vernietigt het bestreden besluit van 30 oktober 2008;
3.3 veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,--;
3.4 wijst het meer of anders gevorderde af;
3.5 veroordeelt verweerder in de door [derde partij] gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 483,--,;
3.6 gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 145,-- aan hen vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, rechter, en op 9 september 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.