ECLI:NL:RBHAA:2009:BK1288
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontbinding koopovereenkomst en toepassing artikel 13 Wet BVR bij overdrachtsbelasting
Eiser verkreeg op 7 maart 2005 de juridische en economische eigendom van een recht van opstal, waarbij overdrachtsbelasting werd voldaan. Verweerder legde een naheffingsaanslag en boete op omdat hij meende dat de verkrijging niet binnen zes maanden na een vorige verkrijging had plaatsgevonden.
De kern van het geschil betrof de vraag of de levering onder een ontbindende of opschortende voorwaarde was overeengekomen. Eiser stelde dat het een ontbindende voorwaarde betrof, waardoor de verkrijging op het moment van de akte van levering plaatsvond, binnen zes maanden na de vorige verkrijging. Verweerder betoogde dat sprake was van een opschortende voorwaarde, waardoor de verkrijging pas bij de akte van kwijting plaatsvond.
De rechtbank stelde vast dat uit de koopakte en de akte van levering niet anders kan worden afgeleid dan dat partijen een ontbindende voorwaarde zijn overeengekomen. Verweerder kon zijn stelling niet aannemelijk maken. De inschrijving van de akte van levering samen met de akte van kwijting en het feitelijke moment van levering bij de kwijting konden niet leiden tot een andere conclusie.
Daarmee vond de verkrijging plaats op het moment van de akte van levering, binnen zes maanden na de vorige verkrijging, zodat artikel 13, eerste lid, Wet BVR van toepassing was. De naheffingsaanslag en boete werden daarom vernietigd. De rechtbank legde geen proceskostenveroordeling op omdat geen kosten van rechtsbijstand waren aangetoond.
Uitkomst: De naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en boete worden vernietigd omdat de levering onder een ontbindende voorwaarde plaatsvond binnen zes maanden na een vorige verkrijging.