ECLI:NL:RBHAA:2009:BK6959
Rechtbank Haarlem
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vergoeding wegens ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis
Verzoekster diende een verzoek in tot vergoeding van schade wegens ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis na een sepotbeslissing in een strafzaak over diefstal van mobiele telefoons. De rechtbank oordeelde dat de kennisgeving van niet verdere vervolging aan de raadsman van verzoekster niet voldeed aan de wettelijke betekeningseisen, maar dat verzoekster pas kort voor september 2009 op de hoogte was van deze kennisgeving. Hierdoor was het verzoek binnen de wettelijke termijn ingediend en dus ontvankelijk.
De feiten betreffen een diefstal van 35 Nokia-telefoons in 2005, waarbij verzoekster betrokken zou zijn geweest via een auto en een winkel waar gestolen telefoons werden verkocht. Na haar aanhouding in oktober 2005 werd zij in voorlopige hechtenis genomen en later vrijgelaten. Verzoekster maakte in haar verhoren gebruik van haar zwijgrecht, waardoor de politie meer tijd nodig had voor onderzoek.
De rechtbank erkende het fundamentele recht van verzoekster op zwijgen, maar achtte haar proceshouding een relevante factor bij de beoordeling van billijkheid. Gezien het feit dat verzoekster het onderzoek heeft vertraagd door haar zwijgrecht te gebruiken, was de voorlopige hechtenis in overwegende mate aan haarzelf te wijten. Daarom ontbraken gronden van billijkheid om een vergoeding toe te kennen en werd het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding wegens ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis wordt afgewezen wegens ontbreken van gronden van billijkheid.